ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ2092
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot vergoeding helft waardestijging woning na beëindiging ongehuwde samenwoning
Partijen hebben enige tijd ongehuwd samengewoond in de woning die reeds eigendom was van de man. Tijdens de samenleving hebben zij gezamenlijk een geldlening afgesloten en heeft de vrouw spaargeld ingebracht ten behoeve van de gezamenlijke huishouding. Na beëindiging van de samenwoning vordert de vrouw vergoeding van de helft van de waardestijging van de woning en terugbetaling van de helft van haar ingebrachte spaargeld.
De rechtbank had de vrouw gedeeltelijk gelijk gegeven, stellende dat zij aanspraak kon maken op vergoeding op grond van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op een arrest van de Hoge Raad uit 2006. De man ging in hoger beroep en betwistte onder meer dat de vrouw mede-eigenaar was en dat zij aanspraak kon maken op waardevermeerdering.
Het hof oordeelt dat de vrouw geen mede-eigendom van de woning heeft verkregen en geen aanspraak kan maken op de waardestijging, omdat de woning al eigendom was van de man vóór de samenwoning en de vrouw niet is aangesproken voor de lening. Wel is bewezen dat de vrouw spaargeld heeft ingebracht, maar de wederzijdse bijdragen in de huishouding zijn niet gelijk, zodat er geen vordering bestaat tot vergoeding van de man. Het hof vernietigt de vonnissen van de rechtbank en wijst de vorderingen van de vrouw af, waarbij zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering van de vrouw tot vergoeding van de helft van de waardestijging van de woning en terugbetaling van spaargeld wordt afgewezen.