ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ4742
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over beëindiging en huurachterstand bij contractuele medehuur
In deze civiele zaak staat de beëindiging van een huurovereenkomst tussen verhuurder en medehuurders centraal, evenals de aansprakelijkheid voor huurachterstanden. De huurovereenkomst betrof een woning die door twee huurders gezamenlijk werd bewoond. De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand.
De huurder stelde dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden per september 2007 was beëindigd, hetgeen door de kantonrechter werd verworpen. Het hof bevestigde dit oordeel voor zover het de vermeende beëindiging per september 2007 betreft, omdat onvoldoende bewijs was geleverd van instemming door de verhuurder.
Wel oordeelde het hof dat de huurovereenkomst met de huurder per december 2009 was geëindigd, omdat de verhuurder in een brief van 7 november 2009 onvoorwaardelijk instemde met de opzegging van de huurder. De huurder werd veroordeeld tot betaling van een deel van de huurachterstand over de periode juni tot en met november 2009, verminderd met gedane betalingen, en met wettelijke rente. De proceskosten werden gecompenseerd tussen partijen.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis voor zover het betrekking had op de huurder en verhuurder en sprak de nieuwe beslissing uit. De huurder is niet aansprakelijk voor huurpenningen vanaf december 2009, maar wel voor de periode daarvoor. De gevorderde hoofdelijke aansprakelijkheid werd afgewezen omdat deze niet uit de overeenkomst volgt.
Uitkomst: De huurovereenkomst met de huurder eindigde per december 2009, zij is aansprakelijk voor huurachterstand tot die datum en veroordeeld tot betaling van € 282,55 plus rente.