ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6689
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dwangsommen en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
Deze civiele procedure betreft een geschil tussen appellant en de Staat over de betaling van dwangsommen en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een vreemdelingenzaak.
Appellant had een verblijfsvergunning aangevraagd en bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. De rechtbank had de Staat opgedragen binnen vier weken een besluit te nemen, met dwangsommen bij overschrijding. De Staat nam een besluit op bezwaar, maar dit werd later vernietigd. Appellant vorderde betaling van dwangsommen over de periode na het vernietigde besluit en een schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure.
Het hof oordeelt dat het nemen van een besluit voldoet aan de opdracht van de rechtbank, ook als het besluit later wordt vernietigd, tenzij sprake is van een niet serieus te nemen besluit. De beslissing van 7 april 2006 was een serieus besluit, genomen op een andere grond dan het Slowaakse nationaliteitsonderzoek, zodat de Staat geen dwangsommen verschuldigd was over de periode daarna. De immateriële schadevergoeding van €2.500 is passend geacht, aansluitend bij jurisprudentie van de ABRvS. De vorderingen van appellant worden grotendeels afgewezen, met uitzondering van de terugvordering van onverschuldigde betaling door appellant aan de Staat.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis in conventie, vernietigt het in reconventie en veroordeelt appellant tot terugbetaling van €7.000,- met rente.