ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2519
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling effectentransacties als bron van inkomen voor inkomstenbelasting 2000 en 2001
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de verliezen en kosten uit zijn effectentransacties in 2000 en 2001 aftrekbaar zijn omdat deze transacties een bron van inkomen vormen. De rechtbank had echter geoordeeld dat de transacties niet meer waren dan normaal vermogensbeheer en dat er geen meer dan louter speculatief uitzicht op voordeel bestond.
Het hof bevestigt dit oordeel. Uit de feiten blijkt dat belanghebbende veel transacties verrichtte op de effectenbeurs van New York via verschillende brokers, maar dat hij per saldo verliezen leed in de jaren 2000 tot en met 2004. Belanghebbende had geen opdrachtgevers of cliënten en handelde uitsluitend voor eigen rekening, waardoor geen sprake was van deelname aan het economische verkeer.
De jurisprudentie vereist dat voor een bron van inkomen moet worden voldaan aan cumulatieve voorwaarden: deelname aan het economische verkeer, het oogmerk voordeel te behalen en een redelijke verwachting van voordeel. Het hof oordeelt dat deze voorwaarden niet zijn vervuld. De handel was speculatief van aard en het voordeel niet redelijkerwijs voorzienbaar. De deskundigheid en ervaring van belanghebbende rechtvaardigen dit niet anders.
Daarom zijn de verliezen en kosten niet aftrekbaar. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarbij het belastbaar inkomen en verlies uit werk en woning voor 2000 en 2001 respectievelijk zijn vastgesteld zoals door de rechtbank bepaald.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de effectentransacties geen bron van inkomen vormen en verklaart het hoger beroep ongegrond.