ECLI:NL:GHSGR:2011:BU7195
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over medehuurderschap en ontbinding huurovereenkomst met matiging boete
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de huurovereenkomst tussen de verhuurder en de contractuele medehuurders, appellante en haar ex-echtgenoot, met wederzijds goedvinden is beëindigd per 31 mei 2008. De verhuurder had de huur opgezegd en vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van huurachterstanden, boetes en incassokosten.
De kantonrechter wees de vordering grotendeels toe, waarbij appellante mede aansprakelijk werd gehouden. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat de verhuurder medewerking had verleend aan de opzegging en dat zij niet langer aansprakelijk was. Het hof oordeelde dat uit de correspondentie en vervolgacties van de verhuurder geen wilsovereenstemming over beëindiging bleek, zodat de huurovereenkomst niet met wederzijds goedvinden was beëindigd.
Verder matigde het hof de contractuele boete van €3.325,- tot €300,-, omdat de boete buitensporig was in verhouding tot de huurachterstand en de reeds toegekende rente. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd wel toegewezen. Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover appellante tot betaling van €5.849,93 was veroordeeld en veroordeelde haar tot betaling van €2.824,93 met wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof matigt de contractuele boete en veroordeelt appellante tot betaling van een verminderd bedrag met rente, bevestigt medehuurderschap en wijst ontbinding zonder wederzijds goedvinden af.