ECLI:NL:GHSHE:2005:AT5844
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de fiscale behandeling van waardeaangroei blote eigendom na vruchtgebruik
Het geschil betreft de vraag of de waardeaangroei van blote eigendom van een onroerende zaak, die ontstaat door het verstrijken van een tijdelijk recht van vruchtgebruik, behoort tot de inkomsten uit vermogen van de belanghebbende. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting waarbij de Inspecteur deze waardeaangroei heeft belast op grond van artikel 25b van de Wet IB 1964.
Het Hof stelt vast dat de onderaannemer, die de volle eigendom bezat voordat het vruchtgebruik werd gevestigd, gerechtigd was tot de voordelen uit de onroerende zaak en dat deze voordelen geheel of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan de periode waarin de zaak tot het vermogen van de belanghebbende behoort. Hierdoor is artikel 25b, eerste lid, van toepassing op de belanghebbende. De vrijstelling voor ouder-kind situaties, zoals opgenomen in artikel 25b, tweede lid, onderdeel c, is niet van toepassing omdat de ander niet een bloed- of aanverwant in rechte opgaande lijn is.
De belanghebbende stelde dat toepassing van artikel 25b in zijn situatie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en internationale verdragsbepalingen, maar het Hof oordeelt dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor de verschillende fiscale behandeling. Het beroep van de belanghebbende wordt gegrond verklaard voor een deel van de aanslag, waarbij de aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van € 31.953,77. Het griffierecht wordt aan de belanghebbende vergoed, maar proceskosten worden niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van € 31.953,77.