ECLI:NL:GHSHE:2006:AW2520
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Van Schaik-Veltman
- Venhuizen
- Keizer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake borgstellingsprovisie en niet-ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis
In deze civiele procedure staat centraal de borgstellingsprovisie die appellant aan geïntimeerde verschuldigd zou zijn. Appellant stelde in verzet te zijn gekomen tegen een verstekvonnis van 25 juli 1995, maar het hof oordeelt dat dit verzet niet tijdig is ingesteld, waardoor appellant niet-ontvankelijk is in het verzet.
De feiten betreffen een overeenkomst uit circa 1980 waarbij geïntimeerde borg stond voor een bedrag van DM 3.000.000,-- voor appellant, waarvoor een provisie van ƒ 3.000.000,-- was overeengekomen. Appellant had slechts ƒ 872.000,-- betaald. In de procedure erkende appellant aanvankelijk de provisie, maar stelde later dat een nadere overeenkomst bestond waarin een lagere betaling was afgesproken. Dit werd door het hof verworpen.
Het hof oordeelt dat appellant door gedragingen van zijn advocaten en zichzelf uiterlijk op 24 november 1997 bekend was met het verstekvonnis, waarna het verzet binnen veertien dagen had moeten worden ingesteld. Dit gebeurde pas op 16 januari 1998, te laat volgens artikel 81 (oud) Rv. Verder bevestigt het hof dat appellant niet kan terugkomen op zijn eerdere gerechtelijke erkenning van de provisieverplichting.
De grieven van appellant worden afgewezen, en hij wordt veroordeeld in de kosten van zowel het principaal als incidenteel appel, met wettelijke rente vanaf de zevende dag na het arrest. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen het verstekvonnis en veroordeeld tot betaling van de borgstellingsprovisie en proceskosten.