ECLI:NL:HR:2003:AF7537
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de verjaring en verwerking van désaveu-vordering in civiele procedure
In deze civiele zaak stond centraal de vraag of eiser tijdig gebruik heeft gemaakt van het rechtsmiddel van désaveu om een door zijn procureur onbevoegd gedane erkenning te ontkennen. Eiser was bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag aan verweerder 2, waarna hij in verzet kwam en stelde dat een vergoedingsovereenkomst niet bestond zoals door verweerder 2 gesteld.
De rechtbank en het hof oordeelden dat eiser niet geslaagd was in het bewijs van zijn stellingen en dat hij de désaveu-vordering niet met bekwame spoed had ingesteld. Het hof motiveerde dat het rechtsmiddel van désaveu vanwege de ingrijpende gevolgen met terughoudendheid moet worden gebruikt en dat het niet tijdig instellen ervan in strijd is met de goede procesorde.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiser en bevestigde dat eiser voldoende op de hoogte was van de processtukken en de erkenningen, en dat het hof terecht oordeelde dat hij zijn bevoegdheid tot het instellen van de désaveu-vordering had verwerkt. De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.