ECLI:NL:HR:1966:AB5225
Hoge Raad
- Cassatie
- de Jong
- Wiarda
- Houwing
- Hülsmann
- Loeff
- Rechtspraak.nl
Bekendheid met verstekvonnis vereist eigen daad van veroordeelde zelf
In deze zaak ging het om de vraag of de vrouw, die bij verstek was veroordeeld tot echtscheiding, bekend was met het vonnis van 15 juli 1964. De vrouw had het vonnis in ontvangst genomen en een ontvangstverklaring ondertekend, maar stelde dat zij de inhoud niet begreep vanwege taalbarrière.
De Rechtbank verklaarde haar verzet tegen het verstekvonnis niet-ontvankelijk omdat zij te laat was, terwijl het Hof dit vernietigde en oordeelde dat uit het enkel in ontvangst nemen van het vonnis en de ontvangstverklaring niet noodzakelijk de bekendheid met het vonnis volgt. Het Hof vond ook dat de brief van de Duitse raadsman niet als een daad van de vrouw kon worden beschouwd.
De Hoge Raad stelde dat de ontvangst van het vonnis en ondertekening van ontvangstverklaring geen daden zijn waaruit noodzakelijk de bekendheid met het vonnis volgt, omdat de veroordeelde eerst na ontvangst kennis kan nemen van het vonnis. Ook kan een daad van de raadsman niet gelijk worden gesteld aan een daad van de veroordeelde zelf, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangevoerd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug met de opdracht nader onderzoek te doen naar de eigen daden van de veroordeelde die haar bekendheid met het vonnis kunnen aantonen. De kosten van de cassatieprocedure werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling met onderzoek naar de eigen daad van de veroordeelde betreffende bekendheid met het vonnis.