ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1892
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag BPM wegens inrichting auto voor personenvervoer ondanks verwijderde achterbank
Belanghebbende was houder van een auto met grijs kenteken die op 6 april 2007 werd gecontroleerd. Daarbij bleek dat een achterbank in de laadruimte was geplaatst, waardoor de auto feitelijk was ingericht voor het vervoer van personen volgens artikel 3 lid 1 onderdeel Pro c van de Wet BPM. Hoewel de achterbank eerder was verwijderd en de bevestigingspunten waren afgedekt op advies van de Inspecteur, werd de auto alsnog als personenauto aangemerkt.
Belanghebbende voerde aan dat de RDW vertrouwen had gewekt dat de auto als bedrijfsauto werd aangemerkt, dat herstelbeleid had moeten worden toegepast, en dat de naheffingsaanslag in strijd was met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Het Hof overwoog dat de RDW en de Inspecteur onafhankelijk opereren en dat de RDW geen fiscale kwalificatie bepaalt. Het beroep op door de RDW gewekt vertrouwen faalde dan ook.
Verder oordeelde het Hof dat geen herstelbeleid verplicht was en dat het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel geen grond voor vernietiging bood. Ook de bevoegdheid tot tegemoetkoming op grond van artikel 63 AWR Pro ligt bij de Minister van Financiën, niet bij de rechter. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM bevestigd.