ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ0398
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- J. Swinkels
- P.J.M. Bongaarts
- J.A. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffingsrecht Nederland op rente-inkomsten bij indirect aanmerkelijk belang
Belanghebbende, woonachtig in België, houdt samen met haar echtgenoot alle aandelen in een Belgische vennootschap die op haar beurt 60% van de aandelen bezit in een Nederlandse BV. Zij is directeur van deze Nederlandse BV en ontvangt een salaris en rente op een vordering op deze BV. De kern van het geschil is of Nederland heffingsrecht toekomt op de rente-inkomsten en of deze rente mag worden betrokken bij de berekening van de inkomstenbelasting over het salaris.
Het hof oordeelt dat belanghebbende een indirect aanmerkelijk belang heeft in de Nederlandse BV en dat de schuldvordering een werkzaamheid vormt in de zin van de Wet IB 2001. Op grond van artikel 7.2 Wet IB 2001 mag Nederland de rente in de heffing betrekken. Het belastingverdrag Nederland-België beperkt de heffing over de rente tot 10%. Belanghebbende betoogt dat de rente geen invloed mag hebben op de heffing over het salaris, maar het hof wijst dit af en bevestigt dat Nederland de rente mag betrekken bij de berekening van de progressieve heffing over het salaris.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het hof bevestigt deze uitspraak. Het hof verwijst naar relevante arresten van de Hoge Raad die deze wijze van heffing ondersteunen en wijst de grieven van belanghebbende af. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt bevestigd.