ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2184
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Th.L.J. Bod
- E.J. van Sandick
- R.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Geen recht op schadevergoeding voor disproportionele voorlopige hechtenis ondanks kortere gevangenisstraf
De zaak betreft appellant [A.], die 169 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, terwijl hij uiteindelijk veroordeeld werd tot één maand gevangenisstraf voor diefstal en vernieling. [A.] vorderde een schadevergoeding van €13.110,- wegens de disproportionele duur van zijn voorlopige hechtenis, stellende dat de Staat het gelijkheidsbeginsel had geschonden door onnodige vertragingen.
Het hof stelde vast dat de verlenging van de voorlopige hechtenis mede te wijten was aan het wachten op een deskundigenrapport en dat [A.] zelf geen invloed had op de duur. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat het égalité-beginsel niet geldt voor veroordeelden van wie geen onschuld is gebleken uit het vonnis of strafdossier.
Omdat uit het vonnis bleek dat [A.] schuldig was aan de ten laste gelegde feiten, was er geen grond voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Ook de stellingen over nalatig optreden van het Openbaar Ministerie en de deskundige konden geen onrechtmatig handelen van de Staat aantonen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Maastricht en wees de vordering van [A.] af. Tevens veroordeelde het hof [A.] in de proceskosten, met wettelijke rente vanaf vijftien dagen na het arrest.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens disproportionele voorlopige hechtenis wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.