ECLI:NL:GHSHE:2012:BW2274

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00678
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland 2000Art. 9 Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland 2000Besluit proceskosten fiscale procedures
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling aantal vervuilingseenheden en vermindering aanslag verontreinigingsheffing

Na verwijzing door de Hoge Raad stond ter beoordeling hoeveel vervuilingseenheden belanghebbende in het jaar 2000 heeft geloosd. De hoofdregel van de Verordening vereist meting, bemonstering en analyse gedurende 365 dagen, maar deze gegevens ontbraken. Gegevens van twee meetweken waren beschikbaar, doch niet representatief bevonden.

De Verordening bevat geen bepaling voor schatting in dergelijke gevallen, zodat het hof het aantal vervuilingseenheden in goede justitie vaststelde op 1.000. Op basis hiervan werd de aanslag verminderd tot € 45.378.

Het Waterschap erkende immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoedde € 4.500. Tevens werd het Waterschap veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Belanghebbende was niet aanwezig bij de zitting, maar was tijdig en correct uitgenodigd. Het hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en de aanslag van de Heffingsambtenaar, en wees het Waterschap aan als de partij die het griffierecht moet vergoeden.

Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van het arrest.

Uitkomst: Het hof stelde het aantal vervuilingseenheden vast op 1.000 en verminderde de aanslag tot € 45.378, met vergoeding van immateriële schade en proceskosten door het Waterschap.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector belastingrecht
Derde meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 11/00678
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
de vennootschap onder firma X, gevestigd te Y,
hierna: belanghebbende
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank) van 7 februari 2008, nummer AWB 05/2259 in het geding tussen
belanghebbende,
en
het Hoofd Afdeling Aanslagregeling en Bezwaar en beroep van Tricijn Belastingen, als zijnde de ambtenaar belast met de heffing voor het Waterschap Zuiderzeeland (hierna: het Waterschap); hierna, evenals het hoofd van de afdeling Belastingen van het Waterschap, aan te duiden als: de Heffingsambtenaar,
betreffende de uitspraak van het hoofd van de afdeling Belastingen van het Waterschap van 21 november 2005 op het bij brief van 10 augustus 2002 ingediende bezwaar van belanghebbende tegen de voor het jaar 2000 opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren (hierna: de aanslag) ten bedrage van € 53.822,87.
1. Onderzoek ter zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 maart 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Heffingsambtenaar. Belanghebbende is niet verschenen.
De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 1 februari 2012, met nummer 3SRRRD0000000, aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie. Hieruit volgt dat de uitnodiging op 2 februari 2012 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 30 maart 2012, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar,
- vermindert de aanslag tot een bedrag van € 45.378,
- veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 4.500,
- bepaalt dat aan belanghebbende wordt vergoed het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 709,
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in een tegemoetkoming in de kosten van het geding bij de Rechtbank, het Gerechtshof Arnhem en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een bedrag van € 644, en
- wijst het Waterschap aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.
Gronden
Ten aanzien van het geschil
1. In geschil is, na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 14 oktober 2011, nr
10/01220, LJN: BP1499, BNB 2012/24, waarbij de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 2 februari 2010, nr 08/00133, LJN: BL5007 heeft vernietigd, hoeveel vervuilingseenheden belanghebbende in het jaar 2000 heeft geloosd.
2. Het Hof zal met het Waterschap vooronderstellenderwijs ervan uitgaan dat het aantal
vervuilingseenheden niet op de voet van artikel 9 van Pro de Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland 2000 (hierna: de Verordening) aan de hand van de Tabel mag worden bepaald. Alsdan dient het aantal vervuilingseenheden te worden bepaald volgens de hoofdregel van artikel 8 van Pro de Verordening, namelijk door meting, bemonstering en analyse gedurende 365 dagen van het jaar.
3. Vaststaat dat dit laatste niet is geschied. Mitsdien ontbreken de feitelijke gegevens om
op basis van de hoofdregel het gezochte aantal vervuilingseenheden te bepalen.
4. Weliswaar zijn er gegevens van twee meetweken beschikbaar, maar partijen verschillen
van mening over de representativiteit van deze gegevens voor het gehele jaar. In verband daarmede acht het Hof deze gegevens niet bruikbaar.
5. De Verordening kent geen bepaling welke, in een situatie als de onderhavige, voorziet
in het door middel van schatting vaststellen van het aantal vervuilingseenheden.
Mitsdien dient het Hof het aantal vervuilingseenheden in goede justitie vast te stellen. In goede justitie stelt het Hof dit aantal vast op 1.000 vervuilingseenheden. Het bedrag van de aanslag wordt dan berekend op 1.000 x f 100 is f 100.000, zijnde (afgerond) € 45.378.
6. Het Waterschap heeft zich, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 juni
2011, nr. 09/02639, LJN: BO5046, ter zitting bereid verklaard de immateriële schade wegens overschrijding van voor de behandeling van de zaak in acht te nemen redelijke termijn, ook in zoverre deze eventueel is te wijten aan de Rechtbank, te vergoeden en wel tot een bedrag van € 4.500. Naar het oordeel van het Hof is dit bedrag niet te laag.
7. Gelet op het vorenstaande moet worden beslist als hierboven vermeld.
Ten aanzien van het griffierecht
8. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient aan belanghebbende het door
haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem betaalde griffierecht ten bedrage van € 276 respectievelijk € 433, in totaal € 709, te worden vergoed.
Ten aanzien van de proceskosten
9. In de omstandigheid dat de bestreden uitspraak van de Rechtbank moet worden
vernietigd, vindt het Hof aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij de Rechtbank en haar hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem en bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, voor beroep op 1 (punt [indienen beroepschrift bij de Rechtbank]) x € 322 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is € 322 en voor hoger beroep op 1 (punt [indienen hoger beroepschrift bij het Gerechtshof Arnhem]) x € 322 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is € 322, tezamen € 644.
10. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking
komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten fiscale procedures heeft gemaakt.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus gedaan door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en J.A. Meijer, leden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2012.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden
op: 2 april 2012
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a) de naam en het adres van de indiener;
b) een dagtekening;
c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d) de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.