ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2381

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HD 200.007.964 T2
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake schadevergoeding en arbeidsongeschiktheid na arbeidsongeval zzp-er

In deze civiele zaak staat het hoger beroep centraal van een zelfstandige zonder personeel (zzp-er) die schadevergoeding vordert wegens arbeidsongeschiktheid na een arbeidsongeval. De appellant stelt dat hij ernstige letsels heeft opgelopen, waaronder een beschadiging van de endeldarm, een dubbele buikspierbreuk en een beschadiging van de linkerpols, en claimt een arbeidsongeschiktheid van 100% in 2007 en daarna 66%.

De geïntimeerde betwist de mate van arbeidsongeschiktheid en stelt dat de appellant in staat is geweest zijn werkzaamheden als mergelspecialist uit te voeren. Het hof oordeelt dat de klachten en beperkingen vaststaan, maar dat onvoldoende is aangetoond in welke mate sprake is van arbeidsongeschiktheid. Daarom wordt een deskundigenonderzoek gelast en een comparitie van partijen georganiseerd om de bewijsstukken en deskundigen te bespreken.

Daarnaast wordt de schadevergoeding betwist, met name het verlies aan arbeidsvermogen en overige schadeposten zoals smartengeld, verlies van zelfwerkzaamheid en kosten huishoudelijke hulp. Het hof verlangt nadere onderbouwing en bewijsstukken van de appellant en stelt dat ook fiscale aspecten en de opbouw van ontvangen uitkeringen aan de orde komen. De zaak wordt aangehouden en partijen worden uitgenodigd tot een minnelijke regeling tijdens de comparitie.

Uitkomst: Het hof gelast een comparitie en deskundigenonderzoek en houdt de zaak aan voor verdere beslissing.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
zaaknummer HD 200.007.694
arrest van de achtste kamer van 17 juli 2012
in de zaak van
[X.],
wonende gevestigd te [woonplaats] (België),
appellant,
advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann,
tegen:
MERGELSPECIALITEITENBEDRIJF [Y.]B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.F.W. van Seumeren,
als vervolg op de door het hof gewezen arresten van 2 november 2010 en 20 maart 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht onder nummer 258512 CV EXPL 07-1917 gewezen vonnis van 28 november 2007.
11. Het arrest van 20 maart 2012
Bij genoemd arrest is in het incident de gevraagde voorziening geweigerd en is - onder aankondiging dat het hof een comparitie van partijen zal gelasten - in de hoofdzaak de zaak verwezen naar de rol voor antwoordakte aan de zijde van [geïntimeerde] en is iedere verdere beslissing aangehouden.
12. Het verdere verloop van de procedure
[geïntimeerde] heeft een antwoordakte na tussenarrest met producties genomen.
Vervolgens heeft alleen [geïntimeerde] de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
13. De verdere beoordeling
13.1. Bij tussenarrest van 2 november 2010 heeft het hof [appellant] verzocht om de door hem geleden schade nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen in aanvulling op het door hem bij akte van 28 juli 2009 overgelegde “partij-deskundigenbericht” van mr. [C.]. [appellant] diende daarbij aan te geven of en hoe Bouwbedrijf [Z.] B.V. (hierna: [Z.]) of haar verzekeraar Allianz tot schadevergoeding is overgegaan.
13.2. [appellant] heeft in zijn akte na tussenarrest een nader “partij-deskundigenbericht” van [C.] van 18 november 2011 met bijlagen overgelegd. [appellant] berekent zijn schade op basis van dat bericht op totaal € 599.863,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2004. Hierop wordt door [appellant] in mindering gebracht het van Allianz ontvangen bedrag van € 125.000,=.
[geïntimeerde] heeft een en ander betwist.
13.3. In de eerste plaats staat tussen partijen ter discussie in hoeverre er sprake is van functieverlies bij [appellant] ten gevolge van het ongeval en welke beperkingen [appellant] ondervindt in zijn huidige toestand in het dagelijks leven, bij de vrijetijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid.
[appellant] stelt dat hij drie zware letsels heeft opgelopen, te weten:
a. een ernstige beschadiging van zijn endeldarm en sluitspier van de anus;
b. een dubbele buikspierbreuk, waardoor hij een corset moet dragen;
c. een beschadiging van zijn linkerpols.
[appellant] heeft gesteld dat sprake is van arbeidsongeschiktheid van 100% in 2007 (productie bij akte d.d. 28 juli 2009) en nadien arbeidsongeschiktheid van 66%, waarbij hij heeft verwezen naar een brief van het ziekenfonds van 8 april 2010 en medische attesten van dr. [D.] van 1 juli 2010 en 5 januari 2011 (prod. 3 en 4 bij akte uitlating tussenarrest). [geïntimeerde] heeft vraagtekens gezet bij de conclusie van dr. [D.]dat [appellant] geen fysieke arbeid meer kan verrichten, aangezien [appellant] volgens [geïntimeerde] aantoonbaar in staat is gebleken om zijn vertrouwde werkzaamheden als mergelspecialist uit te voeren.
13.3.1. Naar het voorlopig oordeel van het hof staan de klachten en beperkingen van [appellant] vast, maar - gelet op het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] - staat niet vast of en in welke mate [appellant] ten gevolge daarvan arbeidsongeschikt was/is. [appellant] heeft overigens niet betwist dat hij na het ongeval heeft gewerkt. De stelplicht en bewijslast van de gestelde arbeidsongeschiktheid rusten op [appellant].
Het hof is voorshands van oordeel dat een deskundigenonderzoek nodig is en zal dit ter comparitie met partijen bespreken, waarbij ook aan de orde zal komen welke deskundige(n) (welke discipline) benoemd dient/dienen te worden en welke vragen aan de deskundige(n) gesteld dienen te worden. Het hof acht het zinvol daarbij de vraagstelling van de Interdisciplinaire Werkgroep Medisch Deskundigen tot uitgangspunt te nemen.
13.4. Als komt vast te staan dat sprake is van functieverlies/arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het ongeval is in de tweede plaats de door [appellant] geleden schade in geschil. In dat kader overweegt het hof dat voor het begroten van de schade een vergelijking moet worden gemaakt tussen de hypothetische situatie zonder ongeval en de situatie met ongeval. Daarbij kunnen de volgende schadeposten onderscheiden worden.
13.5. Verlies arbeidsvermogen
13.5.1. Het uitgangspunt van de berekening van [C.] is dat [appellant] tot zijn 65ste jaar 48 weken per jaar had kunnen werken en 40 weken per jaar tot zijn 75ste jaar. Aan verlies arbeidsvermogen wordt berekend:
- 225 weken (37 uur per week à € 30,= per uur) die [appellant] had kunnen werken tot zijn 65ste, is € 187.312,50 netto bij een belastingdruk van 25% en verder
- 100 weken die [appellant] had kunnen werken tot zijn 75ste, is € 83.250,= netto.
De periode 2012 tot 2019 (periode tot 75ste jaar) wordt gekapitaliseerd met factor 6,3 (rekenrente 3%), is € 209.790,=.
Verder wordt aan gemiste zwarte inkomsten € 22.500,= berekend. De ontvangen uitkering mutualiteit ad € 9.000,= netto wordt van een en ander afgetrokken.
Aldus wordt aan verlies arbeidsvermogen een bedrag van € 493.852,50 netto berekend.
13.5.2. [geïntimeerde] heeft hiertegen in gebracht dat het door [appellant] overgelegde kasboek 2004 achteraf lijkt te zijn geproduceerd. De geplaatste handtekeningen in dit kasboek bij “Voldaan Firma [geïntimeerde]” zijn niet afkomstig van de heer [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft onder verwijzing naar door haar bij conclusie van antwoord in het incident overgelegde facturen 81 tot en met 84 en 87 en 88 van 2004 gesteld dat [appellant] in 2004 972,25 uren werkzaam is geweest voor [geïntimeerde], dat wil zeggen gemiddeld ruim 24 uren per week, terwijl in 2004 incidenteel meer door [geïntimeerde] is gewerkt op het project [projectnaam]. Verder heeft [geïntimeerde] gewezen op de stelling van [appellant] dat deze vrijwel uitsluitend voor [geïntimeerde] heeft gewerkt. [geïntimeerde] heeft ook gesteld dat uitgegaan moet worden van maximaal 46 werkweken per jaar in plaats van 48. Een en ander komt uit op maximaal 24 uur maal € 30,= is € 720,= bruto per week en [kennelijk met een belastingdruk van 25%, hof] € 540,= netto per week, is € 24.840,= netto per jaar tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
Voor de periode tot het 75ste jaar wijst [geïntimeerde] erop dat [C.] in zijn eerste rapport is uitgegaan van een inkomen van € 250,= netto per week en 40 weken per jaar.
[geïntimeerde] berekent:
Periode oktober 2004 tot juli 2009 (tot 65ste jaar) 193 weken x € 540,= is € 104.220,=
Periode juli 2009 tot juli 2019 (tot 75ste jaar) 140 weken x € 250,= is € 35.000,=,
is totaal € 139.220,= netto.
Verder moet er volgens [geïntimeerde] rekening mee gehouden worden dat [appellant] in de jaren 2005, 2006 en 2007 werkzaamheden heeft verricht voor [geïntimeerde] tot een bedrag van
€ 28.295,= bruto (facturen 89, 91 t/m 96 en 99, prod. 6 conclusie van antwoord in het incident). Ook heeft [appellant] in de periode 2008-2010 gewerkt voor andere opdrachtgevers, in verband waarmee [geïntimeerde] een aantal producties heeft overgelegd (prod. 7 t/m 11 conclusie van antwoord in het incident). [appellant] levert volgens [geïntimeerde] geen bewijs van de fiscaal onverantwoorde inkomsten van € 5.000,= per jaar.
Naar de mening van [geïntimeerde] is er geen sprake van verlies van arbeidsvermogen, althans is dit gedekt door de uitkering van Allianz.
13.5.3. Het hof overweegt als volgt.
•?? Voor het begroten van het verlies arbeidsvermogen is van belang dat jaarstukken, belastingaangiften en -aanslagen van de onderneming van [appellant] worden overgelegd over de periode van drie jaar voorafgaand aan het ongeval tot heden. [appellant] heeft aangegeven niet meer over zijn administratie te beschikken omdat deze bij vergissing is vernietigd. Het hof verzoekt [appellant] desondanks om de bedoelde jaarstukken, belastingaangiften en -aanslagen over te leggen, die [appellant] wellicht bij de belastingdienst en/of bij zijn boekhouder/accountant zal kunnen opvragen voor wat betreft de jaren waarover de administratie verloren is gegaan. [appellant] dient nog aan te geven over welke periode zijn administratie verloren is gegaan. Voor wat betreft de periode waarover geen sprake is van vernietigde gegevens moet [appellant] in ieder geval in staat zijn om zijn jaarstukken, belastingaangiften en -aanslagen tot heden in het geding te brengen.
•?? Verder dient [appellant] een overzicht te produceren van zijn zwarte inkomsten over de periode van drie jaar voorafgaand aan het ongeval tot heden, onderbouwd met bewijzen (bijvoorbeeld schriftelijke verklaringen van opdrachtgevers), waarbij hij ook dient in te gaan op de door [geïntimeerde] overgelegde producties, zie 13.5.2.
•?? Ook dient [appellant] bewijsstukken over te leggen met betrekking tot de door hem vanaf de datum van het ongeval tot op heden ontvangen uitkering mutualiteit en zijn sinds 11 juli 2009 ontvangen pensioenuitkering. De enkele specificatie van
18 januari 2011 is onvoldoende (prod. 6 bij akte uitlating tussenarrest).
•?? Ook de (Belgische) fiscale aspecten komen ter comparitie aan de orde, zoals bruto/netto-aspecten met betrekking tot het bedrijfsresultaat van [appellant], waarbij [appellant] het hof dient te informeren en verder de kapitalisatie(datum). Tevens komt aan de orde of ook in dit kader de benoeming van een deskundige (het Nederlands Rekencentrum Letselschade) nodig is.
13.6. Overige schadeposten
13.6.1. Aan overige schadeposten worden door [C.] vermeld:
a- smartengeld € 45.000,=
b- verlies zelfwerkzaamheid € 750,= per jaar inclusief toekomstige schade: € 9.975,=
c- kosten huishoudelijke hulp en hulp bij persoonlijke verzorging € 1.920,= inclusief toekomstige schade: € 25.536,=
d- kosten verbandmiddelen c.a. € 1.500,= per jaar inclusief toekomstige schade: € 25.500,=
e- niet (geheel) vergoede kosten medische behandelingen: PM.
Het totaal van de overige schadeposten heeft [C.] berekend op € 106.011,=.
13.6.2. [geïntimeerde] heeft (de hoogte van) deze schadeposten bestreden.
13.6.3. Het hof oordeelt als volgt.
•?? Ter gelegenheid van de comparitie dient [appellant] informatie te verstrekken over zijn woning en tuin in verband met de gestelde post b. (zie ook de Richtlijn Zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad).
•?? [appellant] dient verder post c. huishoudelijke hulp en hulp bij persoonlijke verzorging te onderbouwen, zo mogelijk met bewijsstukken, bijvoorbeeld met verklaringen en nota’s van personen die [appellant] hebben geholpen (zie ook de Richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschaderaad).
•?? Ook dient [appellant] post d. te onderbouwen met bewijsstukken (facturen).
•?? Ter comparitie zal post a. smartengeld aan de orde komen.
13.7. Uitkering Allianz
•?? Het hof verzoekt [appellant] ter gelegenheid van de comparitie inzicht te verschaffen in de opbouw en de wijze van bepaling van het van Allianz ontvangen bedrag van
€ 125.000,= (met belastinggarantie) zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst van 4 februari 2010 (bijl. 2 bij het tweede rapport van [C.]).
13.8. Het hof gelast een comparitie van partijen. Teneinde deze zo effectief mogelijk te laten verlopen is het partijen toegestaan om naast hun advocaat een adviseur mee te brengen die hen ter zijde kan staan. De door het hof in het voorgaande bedoelde (bewijs)stukken en eventueel andere door partijen over te leggen stukken dienen uiterlijk twee weken voor de comparitie in viervoud aan het hof en voorts aan de wederpartij gezonden te worden.
De comparitie van partijen zal tevens worden benut om te bezien of partijen tot een regeling in der minne kunnen komen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
14. De uitspraak
Het hof:
bepaalt dat partijen - [appellant] in persoon en [geïntimeerde] deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is - zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor vermelde doeleinden;
verwijst de zaak naar de rol van 31 juli 2012 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten op maandagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;
verzoekt partijen de hiervoor bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en in viervoud aan het hof;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.J.H.A. Venner-Lijten en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 juli 2012.