Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 231197/HA ZA 11-958)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Vervolgens zal overleg moeten plaatsvinden op welke wijze de voorraad wordt verkocht (..)”. Op 30 juli 2010 zond de Rabobank aan de curator diverse stukken met betrekking tot de financiering en de verpanding.
tegen betaling van een boedelbijdrage conform separatistenregeling, ongeacht of de zaken uiteindelijk openbaar zullen worden verkocht (.)” (prod. 3 mvg). Hierop ontstond een discussie over de vraag welke werkwijze gehanteerd moest worden bij de verkoop van de verpande zaken en door wie dat moest gebeuren en over de hoogte van de door de Rabobank te betalen boedelbijdrage. De curator schreef in dat kader aan de Rabobank op 4 augustus 2010: “
Als tegenvoorstel stelt u voor (..) Ik kan een dergelijk voorstel niet serieus nemen omdat de kosten die gemoeid zijn met deze werkzaamheden een bedrag van € 800,-- ruim overschrijden en het is dus niet in belang van de boedel om u[w]
voorstel te accepteren. Gezien het voorgaande stel ik uw cliënte een termijn van vier weken om tot uitoefening van haar rechten overeenkomstig artikel 57 Fw Pro over te gaan bij gebreke waarvan ik de goederen opeis en overeenkomstig de artikelen 101 of 176 Fw zal verkopen.
4 augustus 2010: “
Zolang ik voornoemde informatie niet van u heb mogen ontvangen, kan de termijn van vier weken niet gaan lopen, omdat u immers in gebreke blijft informatie te verschaffen. (..) Gelet op de telefoongesprekken die wij hebben gevoerd en het faxbericht dat u hebt verzonden lijkt het erop dat u voornamelijk bezig bent geld te genereren voor uw salaris. Gelet op de inventaris die aanwezig is bij de failliet (..) alsmede het feit dat u dient op te treden voor de gezamenlijke crediteuren(..) vind ik dit niet passend (..)” (prod. 6 mvg).
Is uw cliënte bereid om hier een redelijke vergoeding (ik denk aan € 750,--) voor te betalen?”. In deze fax schreef de curator voorts dat hij nog geen volledig beeld had van alle zich onder derden bevindende zaken en dat hij zich afvroeg of deze zaken voorraad of inventaris waren (prod. 7 mvg).
in afwachting van de inventarisatie van de voorraad en claims van derden door de curator, alsmede in afwachting van een definitief standpunt door de curator over de vraag of zaken die zich bevinden onder derden ook tot de voorraad behoren (..)” (prod. 8 mvg). De rechter-commissaris heeft het verzoek van de Rabobank aldus opgevat, dat zij hiermee primair heeft verzocht dat de rechter-commissaris zou vaststellen dat de door de curator gestelde termijn van vier weken eerst zou ingaan op het moment dat de curator alle informatie zou hebben verstrekt die voor de Rabobank noodzakelijk was voor het uitoefenen van haar rechten overeenkomstig art. 57 Fw Pro. Subsidiair begreep de rechter-commisssaris het verzoek aldus dat de Rabobank hem verzocht de reeds aangevangen termijn te verlengen met 2 maanden, althans met een door de rechter-commissaris te bepalen termijn.
“[u]it uw verzoek leid ik af dat uw cliënte tot op heden nog weinig heeft ondernomen om tot daadwerkelijke uitoefening van haar rechten over te gaan (organiseren executoriale verkoop of verzoek 3:251 lid 1 BW), althans u bent met het door u gestelde er niet in geslaagd mij te overtuigen dat uw cliënte de parate executie tot op heden voldoende voortvarend ter hand heeft genomen. Tegen deze achtergrond vind ik de door uw cliënte verzochte verlenging van de gestelde termijn met twee maanden te lang”. Een afschrift van deze beslissing is aan de curator gezonden (prod. 9 mvg).
Aangaande optie 2 verzoek ik u mij te berichten of u akkoord zou kunnen gaan met het door cliënte in vuistpand laten nemen van de zaken voor het weekend. Cliënte is nog doende een kosten/baten afweging te maken, maar ik zou spoedig een verzoekschrift tot pandhoudersbeslag moeten indienen als u niet akkoord zou gaan met het in vuistpand laten nemen door cliënte van de zaken. Voor uw informatie zal door [taxateur] worden verkocht en uiteraard op korte termijn (..)” (prod. 11 mvg).
Ik heb u nimmer meegedeeld dat ik het bod van [eigenaar van Eurotrade] niet wil accepteren ik moet alleen meer informatie hebben. U hebt mij nog steeds geen inzage gegeven in de taxatierapporten en er is nog steeds geen overeenstemming over een boedelbijdrage. Ik kan een onderhands bod derhalve niet voorleggen aan de rechter-commissaris. Ik heb er overigens geen bezwaar tegen als uw cliënte de zaken in vuistpand neemt”( prod. 12 mvg).
Vrijdag a.s.[ 1 oktober 2010, hof]
zal [taxateur] de zaken ophalen uit het magazijn om het openbaar te verkopen. Kan [taxateur] met de heer [eigenaar van Eurotrade] contact opnemen om toegang te verschaffen? (..)” (prod. 12 mvg). Op 29 september 2010 is tussen de Rabobank en de curator nog contact geweest over de praktische gang van zaken (prod. 13 mvg). Op 1 oktober 2010 is de voorraad in opdracht van de Rabobank opgehaald in aanwezigheid van een faillissementsmedewerkster van de curator.
opgehaald en overgebracht naar een andere locatie, alwaar de goederen onder toeziend oog van een notaris openbaar zullen worden verkocht. (..) De gangbare termijn voor dit traject bedraagt vier tot zes weken”. In deze brief wordt eveneens melding gemaakt van het in vuistpand nemen door de Rabobank van de voorraad (prod. 14 mvg). Bij brief van 5 oktober 2010 aan de rechter-commissaris heeft de curator op dat verlengingsverzoek gereageerd. Van die brief heeft de Rabobank geen kopie ontvangen. Deze brief is ook niet in het geding gebracht. Ter comparitie in eerste aanleg heeft de curator verklaard dat de strekking van zijn brief was dat hij tegen de termijnverlenging was, omdat de Rabobank te weinig had gedaan om tijdig een aanvang te maken met de verkoop van de zaken, zowel onderhands als openbaar.
In uw brief stelt u dat uw cliënte tot voor kort heeft getracht de voorraden onderhands te verkopen. U laat echter na te stellen welke inspanningen om potentiële kopers te vinden door uw cliënte zijn verricht. (..) Uw cliënte had het traject van openbare verkoop al veel eerder kunnen starten. Deze keuze is echter voorbehouden aan uw cliënte, maar dat neemt niet weg dat die keuze ook voor risico van uw cliënte is” (prod. 15 mvg).
4 oktober 2010. De curator had toen het recht de zaken op te eisen. De Rabobank kon uit de e-mail van de curator van 28 september 2010 niet afleiden, dat de curator zijn recht om de zaken na het verstrijken van de termijn op te eisen zou willen prijsgeven. Evenmin is sprake van misbruik van recht door de curator. De boedel is rechthebbende op de opbrengst van de verkoop van de zaken, omdat de verkoop heeft plaatsgevonden nadat de curator daartoe bevoegd was geworden. De primaire vordering in reconventie achtte de rechtbank in zoverre toewijsbaar. De rechtbank oordeelde het echter terecht dat de executiekosten ten laste van de bruto-opbrengst door de notaris aan de Rabobank zijn betaald omdat de curator onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van zijn standpunt dat de executiekosten bij verkoop door de curator veel lager zouden zijn uitgevallen. In zoverre is de primaire vordering in reconventie niet toewijsbaar, en de door de Rabobank in conventie gevorderde verklaring voor recht wel.
enhet vervolgens door de curator executeren daarvan na het verstrijken van de gestelde termijn heeft tot gevolg dat de zekerheidsgerechtigde crediteur zijn separatistpositie heeft verloren en dat hij zal moeten bijdragen in de omslag in de algemene faillissementskosten. Deze bevoegdheid tot opeisen na het verlopen van de termijn is een bevoegdheid die de curator om dezelfde redenen heeft verkregen als het stellen van die termijn: nu de boedel niet gebaat is bij een talmende separatist zal de curator zelf het heft in eigen handen moeten nemen.
omdat de Rabobank te weinig had gedaan om tijdig een aanvang te maken met de verkoop van de zaken, zowel onderhands als openbaar”. Indien de rechter-commissaris het advies van de curator zou volgen (zoals inderdaad is gebeurd) dan zou dit voor de positie van de Rabobank en haar mogelijkheden tot executie verstrekkende gevolgen hebben, indien de curator vervolgens gebruik zou maken van zijn bevoegdheid de zaken op te eisen om zelf te verkopen. Juist vanwege de aankondiging van de veiling door [taxateur] en vanwege de omvangrijke werkzaamheden die het in vuistpand nemen met zich bracht (waarvan de curator geacht kan worden op de hoogte te zijn geweest) kon de Rabobank niet verwachten dat de curator haar al die werkzaamheden voor niets zou laten verrichten.
Het is verboden openbare verkopingen bij opbod, bij opbod en afslag of bij afslag van roerende zaken (..) te houden, anders dan ten overstaan van notarissen of van deurwaarders bij de rechterlijke colleges.” Door een internetveiling te houden, zoals zij heeft gedaan, heeft de Rabobank in strijd met de Watov en dus onrechtmatig jegens de boedel gehandeld, zo begrijpt het hof de stelling van de curator.
wenselijk is dat openbare verkopingen ook na intrekking van artikel 103 van Pro de Registratiewet 1917 ten overstaan van notarissen of deurwaarders zullen plaatsvinden”.