Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
[appellante],
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellanten vorderden op basis van artikel 611d Rv dat het hof de tenuitvoerlegging van een dwangsom, opgelegd door de rechtbank Roermond en gehandhaafd door het hof, zou opheffen, opschorten of verminderen. De dwangsom was verbonden aan de verplichting van appellanten om binnen een bepaalde termijn herstelwerkzaamheden aan een spouwmuur te verrichten en een betonnen fundering te verwijderen.
Appellanten stelden dat het herstel onuitvoerbaar was zonder beschadiging van de muur, onderbouwd met een rapport van een ingenieursbureau, een brief van een senior adviseur geotechniek en een rapport van de gemeente Weert. Het hof oordeelde dat hoewel het verwijderen van de fundering een lastig karwei is met risico's op schade, dit niet betekent dat het onuitvoerbaar is. Het begrip 'oude toestand' moet niet te letterlijk worden genomen en risicobeperkende maatregelen zijn mogelijk.
Verder concludeerde het hof dat appellanten onvoldoende hadden aangetoond dat nakoming onmogelijk of onredelijk was. Pogingen tot herstel waren gestart zonder deskundige maatregelen om schade te voorkomen. Daarom werd de vordering afgewezen en appellanten werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom wordt afgewezen en appellanten worden veroordeeld in de proceskosten.