Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 712150 CV EXPL 12-2539)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Hierbij ontvangt u, conform afspraak, de gegevens van onze kandidaat[Kandidaat Teamhoofd]voor de functie van teamhoofd engineering. (…)
Hoofdstuk 2 Werving en Selectie”onder meer het volgende opgenomen:
Artikel 20. Verbod tot indienstneming van personeel”
(…) feliciteren met de aanname van onze kandidaat [Kandidaat Teamhoofd].
nietgekoppeld aan lid 2 (binnen twaalf maanden een arbeidsverhouding aangaan), zodat het er in beginsel voor moet worden gehouden dat aan overtreding van dit tweede lid geen boetebeding is gekoppeld. Een ander oordeel zou denkbaar kunnen zijn, indien sprake zou zijn van een evidente verschrijving. In dit geval is dat niet zo, hetgeen reeds blijkt uit het feit dat zelfs de gebruiker van de algemene voorwaarden, Continu, een verschillende/wisselende uitleg aan art. 20 algemene Pro voorwaarden geeft. Dit betekent ook dat, zelfs indien het door Continu bij “akte na memorie van antwoord” gewijzigde standpunt in weerwil van de twee-conclusie-regel zou worden beoordeeld, dit niet tot een ander oordeel zou leiden.
van welke aard dan ook”met een door Continu aangedragen kandidaat, aldus Continu.
…[Kandidaat Teamhoofd] voor de functie van teamhoofd engineering.”). Voor die functie is [Kandidaat Teamhoofd] ongeschikt bevonden, zodat de werving/selectie van [Kandidaat Teamhoofd] door Continu niet is geslaagd. In zo’n geval is de opdrachtgever niets verschuldigd, hetgeen eveneens uitdrukkelijk in de aanbiedingsmail van 7 september 2010 is vermeld: “
Indien Continu B.V. niet slaagt in het vinden van de juiste kandidaat, dan wordt u niets in rekening gebracht.” Als lid 1 van art. 20 algemene Pro voorwaarden betrekking zou hebben op het aannemen van een kandidaat voor welke functie dan ook, zou lid 2 (verbod indienstneming binnen twaalf maanden) zinledig zijn, aldus [wegenbouw].
…met een door Continu geworven en/of geselecteerde kandidaat.” Het ligt naar het oordeel van het hof voor de hand om aan te nemen dat in dit verband de inhoud van de door de opdrachtgever aan Continu gegeven (zoek)opdracht (mede) bepalend is. Indien de opdrachtgever aan Continu opdracht heeft gegeven om een kandidaat voor een specifieke functie te zoeken en de door Continu voor die functie aangedragen kandidaat wordt niet door de opdrachtgever voor die functie aangenomen, dan is Continu, om haar eigen bewoordingen aan te halen (r.o. 4.1.4 en 4.6.2), niet geslaagd in het vinden van de juiste kandidaat en wordt aan de opdrachtgever niets in rekening gebracht. Een redelijke uitleg van art. 20 brengt Pro naar het voorlopig oordeel van het hof mee dat de in het eerste lid genoemde vergoeding pas verschuldigd is, indien de werving en selectie door Continu slaagt in die zin dat de aangedragen kandidaat wordt aangenomen in de functie waarvoor de opdrachtgever een zoekopdracht aan Continu had gegeven. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat een andere uitleg, inhoudende dat een vergoeding is verschuldigd indien een (ooit) door Continu aangeboden kandidaat in welke functie dan ook wordt aangenomen, niet lijkt te stroken met de in het tweede lid opgenomen verbodsbepaling. In de door Continu voorgestane, ruime, uitleg zou een opdrachtgever immers hoe dan ook en altijd een vergoeding verschuldigd zijn, indien zij een eerder door Continu aangedragen kandidaat in dienst neemt, voor welke functie dan ook en na ommekomst van welke periode dan ook.
van welke aard dan ook”. Daaruit kan immers niet zonder meer worden afgeleid dat daarmee is bedoeld “voor welke functie dan ook”. Integendeel, blijkens de tekst en de plaats van deze woorden in de tekst lijkt daarmee eerder te worden bedoeld dat het niet uitmaakt welk
typedienstverband wordt aangegaan.