Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de vrouw A.],wonende te [woonplaats],
[dochter 1.],wonende te [woonplaats],
[dochter 2.],wonende te [woonplaats],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Deze civiele zaak betreft hoger beroep in drie gevoegde procedures over beslaglegging en de executoriale titel na een strafrechtelijke veroordeling wegens doodslag. De vorderingen van de geïntimeerden richten zich tegen de appellant, die mede-eigenaar was van onroerende zaken waarop conservatoir beslag was gelegd.
De rechtbank had de vorderingen van de geïntimeerden afgewezen vanwege niet-tijdige betekening van het vonnis aan de derde-beslagene. Het hof herstelt dit verzuim en oordeelt dat de betekening alsnog rechtsgeldig is geschied, waardoor het beslag executoriaal is geworden. Tevens wordt geoordeeld dat het voortzetten van een beslag waarvan de executie-opbrengst ontoereikend is, niet zonder meer onrechtmatig is.
Verder wijst het hof de grieven van de appellant af die stelden dat het beslag niet rechtsgeldig was gelegd en dat er sprake was van onrechtmatig beslag. Het hof benadrukt dat het beslag op het aandeel van de schuldenaar in de vennootschap onder firma rechtmatig was en dat het ontbreken van een executie-opbrengst niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid.
De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor het aanleveren van aanvullende stukken door appellant, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: Het hof herstelt het verzuim van betekening en verwerpt de stelling dat voortzetting van een leeg beslag onrechtmatig is, met verdere beslissing aangehouden.