ECLI:NL:HR:2011:BO7106

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03725
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 243 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executie zonder positieve opbrengst levert niet zonder meer misbruik van recht op

In deze zaak stond centraal of het laten aankomen van executie door de houder van een executoriale titel, terwijl vooraf vaststaat dat de executie geen positieve opbrengst zal opleveren, kan worden aangemerkt als misbruik van recht. De eisers hadden beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin het hof hun vordering had afgewezen.

De Hoge Raad verwijst naar het geding in feitelijke instanties en het cassatieproces, waarin de advocaten van partijen hun standpunten hebben toegelicht. De conclusie van de Advocaat-Generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep.

Uiteindelijk oordeelt de Hoge Raad dat het laten aankomen van executie niet zonder meer misbruik van recht inhoudt, indien moet worden aangenomen dat de debiteur over voldoende middelen beschikt om de vordering waarvoor geëxecuteerd wordt, te voldoen. De klachten van de eisers leiden niet tot cassatie, zodat het beroep wordt verworpen en de eisers worden veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eisers worden veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.

Uitspraak

11 februari 2011
Eerste Kamer
09/03725
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 416680/KG ZA 09-7 van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 5 februari 2009;
b. het arrest in de zaak 200.027.995/01 SKG van het gerechtshof te Amsterdam van 14 juli 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.584,34 in totaal, waarvan € 2.506,09 op de voet van art. 243 Rv Pro. te voldoen aan de Griffier, en € 78,25 te voldoen aan [verweerder].
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 11 februari 2011.