Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
1.de besloten vennootschap Ottima B.V.,
2.[appellante] ,wonende te [woonplaats 1] ,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr.A,F.G. Bergmans-Jeurissen,
woonachtig te [woonplaats 3] , Arizona (Verenigde Staten van Amerika),
geïntimeerde in het principale appel,
defaillant
A. een vordering ad € 147.560,00 van Ottima BV op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ter zake van de overdracht van diverse roerende zaken,
B. een vordering ad € 136.364,00 van [appellante] op [geïntimeerde 2] wegens een pretense geldlening aan [geïntimeerde 2] .
Het hof zal thans eerst ingaan op de hierboven met “A” aangeduide vordering.
Met betrekking tot vordering A:
Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of deze levering voortvloeide uit een koopovereenkomst (standpunt Ottima BV) of uit een schenking (standpunt [geïntimeerde 1] ).
grief IVbestrijdt Ottima BV het oordeel van de rechtbank dat zij (Ottima BV) er niet in is geslaagd het haar opgedragen bewijs dat er de facto op neerkomt dat tussen Ottima BV enerzijds en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] anderzijds een koopovereenkomst tot stand was gekomen, te leveren.
Verder met vordering B:
In hoger beroep staat als niet met enige grief bestreden vast de overweging van de rechtbank in r.o. 2.8 van het vonnis d.d. 21 mei 2008 alsmede de overweging in r.o. 2.4.1 van het vonnis van 22 juni 2011 dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellante] aan [geïntimeerde 2] geld heeft gegeven in verband met de aankoop van de toenmalige echtelijke woning van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] .
grief Iin het principale appel keert [appellante] zich tegen de beslissing van de rechtbank in meergenoemd incidenteel vonnis tot toelating van [geïntimeerde 1] als tussenkomende partij in de procedure tussen [appellante] en [geïntimeerde 2] . In essentie weergegeven stelt [appellante] zich op het standpunt dat voorafgaand aan de beslissing op de incidentele vordering, op basis van de toen voorhanden zijnde gedingstukken vast stond dat [geïntimeerde 1] na tussenkomst geen kans op succes kon hebben, zodat de tussenkomst had behoren te worden geweigerd.
Grief IIIin het principale appel gericht tegen de beslissing van de rechtbank in het tussenvonnis van 21 mei 2008 dat op haar de bewijslast rust van het bestaan van een overeenkomst van geldlening van [appellante] aan [geïntimeerde 2] tot het door haar gevorderde bedrag van € 136.364,00.
grief 1 in het incidentele appelgericht.
Grief 2 in het incidentele appelstrekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld – zakelijk weergegeven – dat de stelling dat geen sprake was van een lening doch van een schenking, niet door andere verklaringen wordt ondersteund.
In dat verband is het hof van oordeel – in essentie weergegeven – dat de getuigenverklaring van [getuige 3] dat hij van [appellante] heeft gehoord dat het geld een schenking betrof en later van [getuige 5] heeft vernomen dat de geldlening gefingeerd was, niet kan bijdragen aan dat tegenbewijs reeds omdat de verklaring van [getuige 3] als ongeloofwaardig moet worden bestempeld. Immers bestaat er een zodanige discrepantie tussen enerzijds hetgeen [getuige 3] blijkens productie 8 bij conclusie van antwoord heeft verklaard [“Een bedrag van deze omvang heb ik nooit in mijn leven gezien laat staan contant! Tijdens en na dit gesprek heb ik overigens nooit fysiek geld gezien”] en anderzijds hetgeen hij in prima als getuige heeft verklaard [“Het zou gaan om een groot cadeau in geld. (…) Wel was mij duidelijk dat er geld werd geteld. Ik heb dat ook gezien. Daarna heeft [geïntimeerde 2] het geld in een zakje gestopt dat hij vervolgens oprolde tot een pakje (…)”], dat aan deze getuigenverklaring geen doorslaggevend gewicht ten gunste van [geïntimeerde 1] kan worden toegekend.
Grief 3 in het incidentele appel, waarin [geïntimeerde 1] uitgaat van een tegengestelde opvatting daaromtrent, faalt.
grief VIin het principale appel gericht. Zoals de grief blijkens de daarop gegeven toelichting redelijkerwijs moet worden gelezen, strekt zij mede ten betoge dat de rechtbank niet hfl. 214.600,00 had dienen toe te wijzen, doch het bedrag van hfl. 216.000,00.
Aan een (verdere) bespreking van de grief ontbreekt het partijen aan belang.
grief VIIin het principale appel komt [appellante] op tegen de kostencompensatie die de rechtbank heeft toegepast met betrekking tot de vordering sub B.
Grief 4 in het incidentele appelis er eveneens op gericht dat tussen partijen geen kostencompensatie dient plaats te vinden.
Het hof zal de bespreking van deze grieven aanhouden tot na de bewijslevering.
De slotsom met betrekking tot zowel vordering A als vordering B:
Beslissing