ECLI:NL:GHSHE:2014:1158
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- W.H.B. den Hartog Jager
- C.M. Aarts
- M. van Ham
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kennelijk onredelijk ontslag wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid
De werknemer trad in 2003 in dienst als vorkheftruckchauffeur en viel in september 2008 uit wegens schildkliercarcinoom. Na een jaar arbeidsongeschiktheid hervatte hij zijn werkzaamheden gedeeltelijk vanaf september 2009 en volledig vanaf november 2009 tot april 2010. Daarna was hij opnieuw ziek en meldde zich volledig arbeidsongeschikt in mei 2010. De werkgever vroeg ontslag aan bij het UWV, dat dit in december 2010 toestond. De arbeidsovereenkomst werd opgezegd per 1 maart 2011.
De werknemer stelde dat hij tijdens de periode november 2009 tot april 2010 zijn eigen werkzaamheden had verricht, waardoor de onderbreking van de ziekteperiode langer dan vier weken was en de twee jaar onafgebroken arbeidsongeschiktheid niet was bereikt. Het hof oordeelde dat de werkgever niet achteraf de arbeidsprestaties mocht bagatelliseren en dat de werknemer niet verplicht was een deskundigenoordeel aan te vragen. De werkgever mocht niet aannemen dat de werknemer twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt was.
Het hof concludeerde dat het ontslag gebaseerd was op een onjuiste reden en daarom kennelijk onredelijk was. De vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst werd afgewezen vanwege de toekenning van een IVA-uitkering aan de werknemer. Wel werd een schadevergoeding van €10.479 bruto toegekend voor de periode van 15 maanden inkomensterugval, vermeerderd met wettelijke rente. Proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof verklaart het ontslag kennelijk onredelijk en veroordeelt de werkgever tot betaling van een schadevergoeding van €10.479 bruto met wettelijke rente.