Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
Appellante zal hierna, waar het gaat om haar processuele stellingname dan wel waar het gaat om haar huidige of recente toestand, als “[familienaam appellante]” worden aangeduid, en waar het gaat om de gebeurtenissen destijds als “[roepnaam appellante]”. Geïntimeerden zullen, voor zover het hun processuele stellingname betreft, als “[geïntimeerden c.s.]” worden aangeduid en voor het overige met hun achternamen.
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 159969/07/1097)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
behorente ontstaan geldt dat, naar het hof uit de toelichting van de deskundigen begrijpt, zulks tegen het karakter van zo’n niet pluis-gevoel in gaat. Indien er indicatoren zijn voor enige ernstige aandoening dient, afhankelijk van de medische standaarden en protocollen, op basis daarvan te worden gehandeld; een niet-pluis gevoel is dan niet aan de orde. Bij een niet-pluis gevoel gaat het evenwel juist om een situatie waarin de arts, veelal op basis van zijn ervaring en “Fingerspitzengefühl”, ondanks de
afwezigheidvan positieve indicatoren bij zichzelf denkt: en toch klopt het niet! Juist bij gebreke van de aanwezigheid van positieve indicatoren kan dan niet gezegd worden dat zo’n niet-pluis gevoel “had behoren te ontstaan”.
beschrijft voorts welke voorlichting en adviezen ouders kunnen worden gegeven. Een van de adviezen luidt als volgt: “Ouders worden geïnstrueerd (opnieuw) contact op te nemen met de arts als het kind zieker wordt, met symptomen van braken, diarhee, dyspnoe (kort van adem), sufheid of slecht drinken.” In de processtukken lees ik bij monde van [familienaam appellante]: “Mij werd toen meegedeeld dat de dokter na 17.00 uur niets meer voor mij zou kunnen doen en zij gaf mij verder geen advies.” [geïntimeerde 2] stelt hier tegenover: “Of ik hem heb gewezen op het feit dat hij na 17.00 uur in dringende gevallen de waarnemer kon bellen weet ik niet meer”. Zelfs al zou dat laatste wel hebben plaatsgevonden, dan nog acht ik deze instructie onvoldoende overeenkomend met wat de NHG-Standaard aanbeveelt (zie hierboven). Immers, er mag niet van ouders (tenzij het artsen of verpleegkundigen betreft) worden verwacht dat zij het begrip “dringende gevallen” kunnen interpreteren. Het advies “in dringende gevallen” kan tevens het ongewenste effect hebben dat ouders het waarschuwen van een arts uitstellen teneinde die persoon niet onnodig lastig te vallen. Voorts moet worden bedacht dat ouders van een ziek kind altijd bezorgd en vaak angstig zijn en derhalve concrete, begrijpelijke en toepasbare adviezen van de behandelend arts horen te krijgen. (…)
Echter, een urineweginfectie met koorts bij een kind is een ernstige aandoening die nader onderzoek en/of verwijzing rechtvaardigt.”
of[roepnaam appellante] kans zou hebben gehad op een beter behandelresultaat en zo ja,
hoe grootdie kans zou zijn geweest.