Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
hydrops foetalis. [4] [betrokkene 1] is in de eerste week na haar geboorte overleden. [eiseres 1] is aanvankelijk mild beademd met lage concentraties zuurstof. Vanaf 17 mei 1996 was zij in staat zelf adem te halen.
perforatie peritonitis. [5] Op 20 mei 1996 heeft [eiseres 1] een buikoperatie ondergaan. Bij deze operatie is een
arterielijn(een slangetje in een slagader) aangebracht in de lies. Deze lijn is bedoeld om het afnemen van bloed te vereenvoudigen en de bloeddruk continue te controleren.
necrose(celdood) opgetreden. Haar rechtervoet moet daarom worden geamputeerd. Verder ondervindt [eiseres 1] hierdoor blijvende klachten aan haar rechterbeen. Erasmus MC heeft aansprakelijkheid erkend voor het te lang laten zitten van de arterielijn. Deze (letsel)schade zou afzonderlijk in onderling overleg tussen partijen geregeld zijn.
retinopathy of the premature(hierna: ROP), een vorm van netvliesloslating. De klinische aantekeningen vermelden hierover:
cryocoagulatieplaatsgevonden. Deze ingreep is gericht op bevriezing en vernietiging van het niet doorbloede gedeelte van het netvlies.
4 oktober 2006 zijn oogarts prof. dr. M.D. de Smet van het AMC, neonatoloog prof. dr. L.A.A. Kollée van het UMC en kinderchirurg prof. dr. H.A. Heij van het VU MC benoemd. Zij zullen hieronder worden aangeduid als ‘het Driemanschap’.
[betrokkene 2] inhoudende (i) dat hij [eiseres 1] heeft behandeld alsof er al ROP stadium 3b was, terwijl formeel sprake was van een ROP stadium 2 en (ii) dat het mogelijk is dat hij direct al een ‘spoedcrio’ had laten uitvoeren als hij de vaatverwijding en de wal bij [eiseres 1] enkele dagen eerder had gezien (rov. 2.6). Partijen zijn onder meer in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de modaliteit van een aanvullend deskundigenonderzoek over de kwantificering en/of waardering van de kans op een beter behandelingsresultaat die verloren is gegaan (rov. 2.8).
threshold retinopathy. (…) Het moment waarop
thresholdzich voordoet is mediaan 36,9 weken. (…) De post menstruele leeftijd van [eiseres 1], was op moment van onderzoek op 9 juli, 36 weken. (…) Indien [eiseres 1] 1 week eerder zou zijn onderzocht dan 9 juli, zou zij ongeveer in het begin van
prethresholdstadium hebben gezeten. (…)
ablatio retinaekan worden verlaagd door eerder te behandelen, maar dat was in 1996 nog niet bekend. (…)
favourable outcomeniet groot is. Ook een deel van de risicofactoren, kenmerkend voor progressie naar netvliesloslating in studie (2) en (3), is bij [eiseres 1] op 9 juli of eerder aanwezig.” [8]
dr. Van Oosterhout tot de hare gemaakt (rov. 2.13). Hieruit kan volgens de rechtbank het volgende worden afgeleid. In 1996 was de gouden standaard om tot behandeling over te gaan bij
threshold retinopathy. Het was nog niet bekend dat de kans op netvliesloslating kan worden verlaagd door eerdere behandeling. De rechtbank overweegt vervolgens (rov. 2.14):
19 november 2013 heeft het hof een comparitie gelast die geen doorgang heeft gevonden. Erasmus MC heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld tegen het oordeel dat sprake is van een beroepsfout. Bij arrest van 21 april 2015 heeft het hof [eisers] (vanwege het ontbreken van daartegen gerichte grieven) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen vier van de zes tussenvonnissen. Het hof heeft in dat arrest verder de tussenvonnissen van 11 februari 2009 en 26 januari 2011 en het eindvonnis bekrachtigd. Het oordeel van het hof kan worden weergegeven als volgt.
“Bestaat er een kans dat het behandelingsresultaat bij [eiseres 1] beter zou zijn geweest indien zij enige dagen eerder dan op 10 juli 1996 zou zijn behandeld?”(…)
25 juni 1996, op 2 juli 1996 opnieuw zou hebben onderzocht mogelijk een vervolgcontrole op een termijn van één week zou hebben bepaald. In dat geval zou op omstreeks hetzelfde moment behandeling hebben plaatsgevonden als nu het geval is geweest, en is er derhalve geen sprake van enig kansverlies. Dat er mogelijk wel sprake is van enig kansverlies als wordt uitgegaan van een optimale behandeling, waardoor [eiseres 1] mogelijk wel eerder dan 10 juli 1996 zou zijn behandeld, is voor de beoordeling van de onderhavige vorderingen niet relevant, nu de norm waaraan getoetst moet worden niet de optimaal handelende oogarts is, maar de redelijk handelende en redelijk bekwaam oogarts. Overigens was de kans op een beter behandelingsresultaat indien wel uitgegaan wordt van een (optimale) eerdere behandeling volgens de deskundige dr. Van Oosterhout waarschijnlijk niet groot geweest omdat, ook in dat geval, een relevant deel van de bekende risicofactoren voor ROP bij [eiseres 1] aanwezig was. [11] Het hof heeft, gelet op de uitgebreide rapportages van de door de rechtbank benoemde (en derhalve onafhankelijke) deskundigen, geen behoefte aan nadere deskundige voorlichting door [betrokkene 4].”
(…) Ook de incidentele grieven, die slechts zijn voorgedragen op de voorwaarde dat de principale grieven slagen, behoeven geen bespreking meer.”
3.Kansschade in medische aansprakelijkheidszaken
passing on-verweer (verweer dat de getroffene het door hem geleden nadeel heeft doorberekend in de prijs van zijn goederen of diensten). In dat verband oordeelde Uw Raad dat het (door de doorberekening gerealiseerde) voordeel voor de gelaedeerde als gevolg van het betreffende onrechtmatig handelen kan worden verdisconteerd
hetzijbij de vermogensvergelijking die voor de schadebegroting ex art. 6:97 BW Pro moet worden gemaakt
hetzijbij de voordeelsverrekening ex art. 6:100 BW Pro. Dit maakt voor de uitkomst geen verschil. [20] Ook het onderscheid tussen het leerstuk van de kansschade en dat van de proportionele aansprakelijkheid kan op een dergelijke wijze worden gerelativeerd. Zowel bij toepassing van het leerstuk van de kansschade als dat van de proportionele aansprakelijkheid wordt een oplossing geboden voor één en hetzelfde probleem: onzekerheid over wat er zonder fout zou zijn gebeurd. [21] In beide gevallen bestaat het risico dat iemand aansprakelijk wordt gehouden voor een schade die hij niet, of niet in de door de rechter aangenomen mate, heeft veroorzaakt. Het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid is alleen aan de orde wanneer niet sprake is van een zeer kleine kans dat de fout de schade heeft veroorzaakt (in dat geval wordt de vordering afgewezen en krijgt eiser dus nul op het rekest) en evenmin van een zeer grote kans, omdat in dat geval de vordering volledig wordt toegewezen. [22] Er is derhalve een onder- en een bovengrens. Vanuit dit perspectief is van belang dat Uw Raad ook bij toepassing van de kansschade in ieder geval met een ondergrens werkt: er moet immers sprake zijn van een reële, dat wil zeggen: niet zeer kleine, kans. [23] Over wat rechtens is bij een zeer grote kans heeft Uw Raad zich nog niet uitgelaten, maar aangenomen mag worden dat de vordering van eiser dan ook volledig zou worden toegewezen. [24] Zo bekeken, en daar is al eerder op gewezen, [25] is de vraag of de soep (bij verlies van een kans geldt niet de terughoudendheid die bij proportionele aansprakelijkheid aan de orde is) zo heet gegeten wordt als zij in het arrest Deloitte/[...] lijkt te worden opgediend.
condicio sine qua non-verband tussen de fout en de schade voldaan wanneer zonder de normschending (onrechtmatig handelen dan wel, zoals hier, toerekenbaar tekortschieten) een reële kans op een beter resultaat zou hebben bestaan. Het gaat hier dus om het
condicio sine qua non-verband tussen de fout en de verloren kans op een beter behandelingsresultaat (en niet om
condicio sine qua non-verband tussen de beroepsfout en [eiseres 1] blindheid). Er is in zoverre sprake van een feitelijke toets en niet van een normatieve maatstaf. [26] Of er vervolgens sprake is van vergoedbare schade (een voldoende reële kans) kan (zo bleek hiervoor reeds) wel weer afhankelijk zijn van normatieve elementen.
4.De cassatieklachten
Onderdelen I.1-I.5 en II.7betogen dat het hof essentiële stellingen zou hebben gepasseerd over het tijdstip waarop het oogheelkundig heronderzoek had moeten plaatsvinden.
Onderdeel IIIhoudt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling dat het toedienen van zuurstof het ontstaan van een ernstige vorm van ROP heeft bevorderd.
Klachten over de kans op een beter behandelingsresultaat
Onderdeel II.2is gekant tegen het oordeel dat [eiseres 1] bij een optimale behandeling weliswaar mogelijk eerder zou zijn geopereerd, maar dat het kansverlies in geval van een optimale behandeling niet relevant is, omdat de redelijk handelend en bekwaam oogarts – en niet de optimaal handelend
oogarts – de norm is.
condicio sine qua non-verband tussen fout en schade te worden bezien of de oogoperatie in de situatie zonder het onzorgvuldig handelen (naar verwachting)
feitelijkeerder zou zijn uitgevoerd (hiervoor onder 3.8).
condicio sine qua non-verband maatgevend is welke behandeling in de situatie zonder de fout (naar verwachting)
feitelijkzou zijn gevolgd. [betrokkene 2] benoemt in zijn verklaring de mogelijkheid dat een eerdere behandeling zou zijn gevolgd. Het hof heeft in zijn kielzog vastgesteld dat [eiseres 1] bij optimale behandeling mogelijk eerder zou zijn behandeld. Onder die omstandigheden is niet doorslaggevend dat een redelijk handelend oogarts mogelijk nog een vervolgcontrole op een termijn van één week zou hebben bepaald. Immers ook dan blijft staan dat behandelend oogarts [betrokkene 2] mogelijk juist wel voor een eerdere behandeling had gekozen.
9 juli 1996 – dus op 2 juli 1996 – zou hebben plaatsgevonden. Volgens Erasmus MC kan uit de verklaring daarom niet worden afgeleid dat [eiseres 1] in het geval van een heronderzoek op 2 juli 1996 eerder zou zijn geopereerd.
dr. Van Oosterhout overigens waarschijnlijk niet groot zou zijn geweest.
dr. Van Oosterhout kan dus niet het oordeel van het hof dragen dat een reële kans op een beter behandelingsresultaat ontbreekt.
dr. Van Oosterhout onder meer afgeleid dat (1) na 1996 uit studies duidelijk is geworden dat de kans op
ablatio retinae(netvliesloslating) kan worden verlaagd door eerder te behandelen (eindvonnis, rov. 2.14) en dat (2) een eerdere behandeling tot een beter resultaat kan leiden, omdat in geval van minder VEGF een beter resultaat wordt verkregen van een cryo- of laserbehandeling (eindvonnis, rov. 2.15). De rechtbank heeft de conclusies van dr. Van Oosterhout tot de hare gemaakt (eindvonnis, rov. 2.13). Het hof heeft zich verenigd met de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het rapport van
dr. Van Oosterhout (arrest, rov. 13). Er zijn dus ook inhoudelijke aanknopingspunten om aan te nemen dat [eiseres 1] bij een eerdere behandeling een reële kans op een beter behandelingsresultaat zou hebben gehad. De verdere waardering van het rapport van dr. Van Oosterhout is feitelijk en kan (in voorkomend geval) na cassatie en verwijzing plaatsvinden.
favourable outcomeniet groot zou zijn geweest (§ 20). [42] De rechtbank heeft die bevinding betrokken bij haar beoordeling (rov. 2.14) en is tot de slotsom gekomen dat geen voldoende reële kans op een beter behandelingsresultaat bestond (rov. 2.16). Grief IV komt daartegen op. Partijen dienden er dus rekening mee te houden dat ook het hof (mede) op basis van het rapport van dr. Van Oosterhout tot het oordeel kon komen dat in de situatie zonder de fout geen reële kans op een beter behandelingsresultaat zou hebben bestaan. Van miskenning van het processuele debat of een verrassingsbeslissing is daarom geen sprake.
Klachten met betrekking tot het passeren van essentiële stellingen
Onderdeel I.3komt op tegen de beoordeling op basis van een vergelijking tussen de huidige situatie en de hypothetische situatie dat het heronderzoek één week na de eerste (mislukte) controle zou hebben plaatsgevonden. Beide onderdelen bepleiten dat het hof ten onrechte het betoog heeft gepasseerd dat het heronderzoek voor 2 juli 1996 had moeten plaatsvinden. Onderdeel I.3 wijst voorts op de conclusie van dr. Van Oosterhout dat bij [eiseres 1] een relevant deel van de risicofactoren op ROP aanwezig was. Volgens [eisers] kan daaraan de gevolgtrekking worden verbonden dat juist met spoed een vervolgcontrole had moeten plaatsvinden. De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
11 februari 2009, rov. 2.4). Zij heeft op die grond geoordeeld dat Erasmus MC tekort is geschoten door pas op 9 juli 1996 een (geslaagde) oogheelkundige controle te laten plaatsvinden (tussenvonnis 11 februari 2009, rov. 2.8). De verdere beoordeling van de rechtbank berust eveneens op het uitgangspunt dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam oogarts [eiseres 1] op 2 juli 1996 zou hebben onderzocht (eindvonnis, rov. 2.14 en 2.15). Er is in eerste aanleg dus zowel door de deskundigen als door de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat het heronderzoek (uiterlijk) op 2 juli 1996 had moeten plaatsvinden.
“In het dossier is genoteerd dat de pupil niet meer wijd werd. Of deze ooit wijd is geweest, is niet terug te vinden. Onverlet blijft dat een ervaren onderzoeker moet weten dat een niet goed wijd wordende pupil kan duiden op een ernstige vorm van ROP.”[eisers] zijn dan ook van mening dat de controle niet één week te laat heeft plaatsgevonden maar bijna twee weken, te rekenen vanaf 25 juni 1996.” (mvg par. 25)
eerste passagehoudt in dat de controle in de vijfde of zesde week na de geboorte diende plaats te vinden. Vast staat evenwel dat Erasmus MC heeft getracht in de zesde week na de geboorte een controle uit te voeren. Centraal staat de vraag wanneer het heronderzoek diende plaats te vinden. Daarop heeft de eerste passage niet uitdrukkelijk betrekking. In de
tweede passagewordt aangevoerd dat een heronderzoek op 2 juli 1996 niet tijdig zou zijn. Daartoe wordt verwezen naar een alinea uit het commentaar van [betrokkene 4]. Uit die alinea blijkt evenwel niet of, en op welke grond, zij een heronderzoek op een termijn van één week (derhalve op 2 juli 1996) al dan niet tijdig acht. Ook anderszins wordt in de passage niet gemotiveerd waarom een heronderzoek op 2 juli 1996 te laat zou zijn. De
derde passagehoudt in dat het heronderzoek op korte termijn en niet pas enkele dagen voor 10 juli 1996 had moeten plaatsvinden. De derde passage sluit daarom evenmin uit dat een heronderzoek op een termijn van één week, dus op 2 juli 1996, tijdig was.
rov. 10 bevat slechts een weergave van een mogelijk antwoord van de deskundige op een vraag die de rechtbank aan de deskundige zou hebben kunnen stellen. De klacht maakt niet inzichtelijk waarom de deskundige niet tot de slotsom zou kunnen of mogen komen dat de kans op een beter behandelingsresultaat afwezig of verwaarloosbaar klein zou zijn geweest. Dit geldt ook wanneer het tijdsverloop van twee weken tot aan het heronderzoek in aanmerking wordt genomen. Daarin ligt immers niet besloten dat zonder dit tijdsverloop een (reële) kans op een beter resultaat zou hebben bestaan.
onderdeel I.1-I.5en
II.7af.
5.Slotsom
condicio sine qua non-verband tussen de fout en de schade dient (ook voor de toepassing van het leerstuk van de kansschade) te worden onderzocht hoe de behandeling van [eiseres 1] na een tijdig heronderzoek
feitelijkzou zijn verlopen. De behandelend oogarts heeft verklaard dat hij [eiseres 1] in het geval van een eerder heronderzoek mogelijk eerder zou hebben geopereerd. Het hof heeft dienovereenkomstig vastgesteld dat [eiseres 1] bij een optimale behandeling mogelijk eerder dan op 10 juli 1996 zou zijn behandeld. Er is dus geen zekerheid, maar wel een mogelijkheid dat [eiseres 1] in de situatie zonder de beroepsfout (dus: bij een eerder heronderzoek) eerder zou zijn geopereerd. Het hof heeft die mogelijkheid naar mijn idee ten onrechte niet relevant geacht. Het hof heeft die beslissing gemotiveerd met de overweging dat de norm waaraan getoetst moet worden niet de optimaal handelend oogarts, maar de redelijk handelend en redelijk bekwaam oogarts is. Daarmee heeft het hof het
condicio sine qua non-verband niet op de juiste wijze beoordeeld. Maatgevend is welke behandeling in de situatie zonder de fout naar verwachting
feitelijkzou zijn gevolgd. De discussie over hetgeen van een redelijk handelend respectievelijk een optimaal handelend oogarts kan worden verwacht, is voor de beoordeling van het
condicio sine qua non-verband niet van (beslissende) betekenis. De bevindingen van dr. Van Oosterhout laten ruimte voor de conclusie dat bij een eerdere operatie een voldoende reële kans op een beter resultaat zou hebben bestaan. Het arrest kan wat mij betreft daarom niet in stand blijven.