Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 833668, rolnr.12-5647)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Voorkom verbranding
- een verklaring voor recht dat Vleeswarenfabriek aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval dat [appellant] overkomen is op 17 mei 2011 en dat Vleeswarenfabriek de schade dient te vergoeden die [appellant] dientengevolge lijdt en heeft geleden;
- betaling door Vleeswarenfabriek van een voorschot op de schade van € 25.000,--;
- vergoeding van de werkelijke proceskosten.
“Ik was me wel bewust van het gevaar voor vallen in de ketel. Ik wist dat het water warm was, omdat ik dat voelde tijdens het klimmen. Door het snel handelen heb ik niet genoeg nagedacht wat de mogelijke gevaren van mijn actie konden zijn. Ik waarschuw medewerkers over het algemeen voor gevaarlijke situaties. Als ik iemand op de rand van de ketel had zien staan, had ik hem gewaarschuwd en er vanaf gehaald. Ik had mijn dag vol gepland en het noteren van het typenummer had ik als kleine snelle taak ingepland. (…) Ik ben al eens eerder op de ketel geklommen, maar toen was deze leeg. (…) Ik had de productiemedewerkers de opdracht kunnen geven om de ketel leeg te scheppen en het water leeg te laten lopen. Ik ben er de eerste keer zonder problemen op geklommen. Bij de tweede keer besefte ik het risico niet meer.“
“Ik raadde hem ten stelligste af (….) gezien het risico (…)”) (prod. 4 cva), doch het hof hecht meer waarde aan de verklaring die [productieleider] daags na het ongeval heeft afgelegd.
“In alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen zijn zodanige maatregelen getroffen dat het gevaar, dat zich met betrekking tot die stoffen of met betrekking tot de arbeid met die stoffen een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden. (…).”