Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen een navorderingsaanslag vermogensbelasting over 2000 van €36.586, inclusief een boete van €368. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend. Het hof heeft onderzocht of de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding en oplegging van de aanslag.
Het hof oordeelt dat het tijdsverloop tussen het aanleveren van stukken door belanghebbende in mei en juni 2002 en het vaststellen van de aanslag op 23 oktober 2002 niet onredelijk was, mede gezien de complexiteit van de berekeningen. Ook het tijdsverloop tussen de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst op 9 december 2002 en de dagtekening van de aanslag op 26 februari 2003 is niet onredelijk. De boete wordt vernietigd vanwege het overlijden van de echtgenoot.
Belanghebbende vorderde een hogere immateriële schadevergoeding wegens de lange bezwaarprocedure, maar het hof wijst dit af omdat de aanhouding van het bezwaar op haar eigen verzoek plaatsvond. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de boete in stand liet, vermindert de aanslag tot €36.218, en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.