ECLI:NL:GHSHE:2014:50

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 januari 2014
Publicatiedatum
16 januari 2014
Zaaknummer
HV200.137.806_01 en HV200.138.166_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub d FwArt. 285 FwArt. 350 lid 3 onder a FwArt. 350 lid 3 onder b FwArt. 350 lid 2 onder c Fw
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot doorbreking tienjaarstermijn schuldsaneringsregeling

Appellanten, beiden eerder toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, verzochten om opnieuw tot deze regeling te worden toegelaten binnen tien jaar na beëindiging van hun eerdere regeling. De rechtbank wees deze verzoeken af op grond van artikel 288 lid 2 sub d Faillissementswet Pro, dat een imperatieve afwijzingsgrond bevat voor hernieuwde toelating binnen tien jaar.

In hoger beroep voerden appellanten aan dat redelijkheid en billijkheid in hun situatie een uitzondering zouden rechtvaardigen, mede vanwege hun motivatie en de impact van schulden op hun gezin met minderjarige kinderen. Het hof oordeelde echter dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een strikte toepassing van deze tienjaarstermijn zonder ruimte voor uitzonderingen, zoals bevestigd door recente jurisprudentie van de Hoge Raad.

Het hof concludeerde dat de verzoeken van appellanten moeten worden afgewezen en bekrachtigde de vonnissen van de rechtbank. De uitspraak benadrukt dat het aan de wetgever is om de regeling te wijzigen indien versoepeling gewenst is.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot doorbreking van de tienjaarstermijn af en bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 16 januari 2014
Zaaknummers: HV 200.137.806/01 ([de vrouw]) en HV 200.138.166/01 ([de man])
Zaaknummers eerste aanleg: C/03/185270/FT RK 13/1112 ([de vrouw]) en C/03/185215/FT RK 13/1090 ([de man])
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw],
en
[de man],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna te noemen: [de vrouw] respectievelijk [de man],
advocaat: mr. F.H.I. Hundscheid.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vonnissen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 november 2013 ([de vrouw]) en 26 november 2013 ([de man]).

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschriften met elk één productie, ingekomen ter griffie op 20 november 2013 ([de vrouw]) en op 29 november 2013 ([de man]), hebben appellanten ieder voor zich verzocht voormelde vonnissen te vernietigen en [de vrouw] respectievelijk [de man] alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2.
Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken, heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014.
Bij die gelegenheid zijn [de vrouw] en [de man] gehoord, bijgestaan door mr. Hundscheid.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de stukken van de eerste aanleg in elk van beide zaken.

3.De beoordeling

3.1.
[de vrouw] en [de man], tussen wie generlei gemeenschap van goederen bestaat, hebben de rechtbank verzocht om ten aanzien van ieder van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) van [de vrouw] blijkt een schuldenlast van € 896,40 aan preferente schulden en een schuldenlast van € 42.564,89 aan concurrente schulden. De totale schuldenlast bedraagt derhalve € 43.461,29. Daaronder bevinden zich een schuld van € 29.429,- aan de Belastingdienst, een schuld van € 2.463,87 die via Intrum Justitia loopt, en een schuld van € 2.189,45 aan Zo Wonen.
Uit de verklaring ex artikel 285 Fw Pro van [de man] blijkt een schuldenlast van € 27.828,68 aan preferente schulden en een schuldenlast van € 39.989,33 aan concurrente schulden. De totale schuldenlast bedraagt derhalve € 67.818,01. Daaronder bevinden zich een schuld van € 17.975,63 aan de gemeente Echt-Susteren, een schuld van € 6.250,05 aan het UWV, een schuld van € 3.043,- aan de Belastingdienst en een schuld van € 1.023,- aan het CJIB.
Uit genoemde verklaringen blijkt dat het minnelijke traject ten aanzien van beide personen is mislukt, omdat een aantal crediteuren niet met de gedane voorstellen heeft ingestemd.
3.2.
Bij vonnissen waarvan beroep zijn de verzoeken van [de vrouw] en [de man] afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe in beide zaken op de voet van artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro overwogen dat een verzoek dient te worden afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij de toepassing is beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder a of b, en tweede lid, onder c Fw. Nu op [de vrouw] en [de man] op ieder voor zich al eerder een schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest die in 2009, respectievelijk 2010 (tussentijds) is beëindigd en geen sprake is van de uitzonderingsgronden genoemd in artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw dienen de verzoeken van [de vrouw] en [de man] te worden afgewezen, aldus de rechtbank.
3.3.
[de vrouw] en [de man] hebben in hun beroepschriften - kort samengevat – ieder voor zich het volgende aangevoerd. Verwezen wordt naar de conclusie van A-G Huydecoper vόόr de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juni 2009, LJN: BH7357. Op grond hiervan zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in bepaalde gevallen, vanwege de uiterst onbevredigende uitkomst, mogelijk moeten zijn een uitzondering op het bepaalde in artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw te aanvaarden. [de vrouw] en [de man] wijzen er in dat verband op – kort weergegeven – dat hun motivatie groot is en dat zij de aanwijzingen van hulpverleners nauwgezet opvolgen. Ook wordt erop gewezen dat de spanningen over de voortdurende schuldenlast hun tol eisen in een gezinsleven met vier minderjarige inwonende kinderen.
3.4.
Ter zitting in hoger beroep is door en namens [de vrouw] en [de man] nog het volgende – zakelijk weergegeven – naar voren gebracht.
De situatie is nu onder controle gebracht in de zin dat er thans geen nieuwe schulden meer bijkomen. [de vrouw] en [de man] worden geholpen bij het aanvragen van kwijtscheldingen en toeslagen. Ook zal een procedure worden opgestart voor het aanvragen van een nihilstelling voor de door [de man] te betalen alimentatie. [de vrouw] en [de man] zijn zeer gemotiveerd om iets te doen aan hun schuldenlast, met name omdat hun kinderen hieronder lijden.
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1.
In eerste aanleg heeft geen zitting plaatsgevonden. [de vrouw] en [de man] stellen zich op het standpunt dat zij wegens het niet houden van een zitting in eerste aanleg in onvoldoende mate hun standpunten naar voren hebben kunnen brengen. Het hof overweegt hiertoe dat [de vrouw] en [de man] bij deze grief geen belang (meer) hebben, nu beiden ter zitting in hoger beroep zijn gehoord, terwijl ook hun advocaat toen in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt naar voren te brengen. Een hoger beroep dient immers (mede) tot herstel van verzuimen en fouten in eerste aanleg.
3.5.2.
Door [de vrouw] en [de man] is erkend dat zij in de tien jaar voorafgaand aan hun verzoek reeds toegelaten zijn tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en dat hun beider regeling niet is geëindigd op een in artikel van artikel 350, derde lid, onder a of b of op grond van artikel 350, derde lid, onder d genoemde grond. Derhalve gaat de in artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw genoemde afwijzingsgrond in beginsel op.
Het hof stelt daarbij voorop dat artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro een imperatieve afwijzingsgrond betreft die geen afweging behoeft, hetgeen onder meer betekent dat de eisen die aan de motivering worden gesteld minder streng zijn (Kamerstukken 29 942, nr. 3, p. 4-8).
3.5.3.
Met ingang van 1 januari 2008 is in werking getreden de Wet van 24 mei 2007 houdende wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, Stb 192. Bij die wijziging heeft de wetgever bewust - ter vervanging van de vóór 1 januari 2008 geldende facultatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid Pro 2, onder a, Fw - gekozen voor de imperatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid Pro 2, aanhef en onder d, Fw, zulks met drie in deze bepaling genoemde uitzonderingen, die zich in het onderhavige geval niet voordoen. Aangenomen moet worden dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de imperatieve afwijzingsgrond ook zou gelden voor gevallen als het onderhavige waarin de schuldenaar die binnen de tienjaarstermijn opnieuw verzoekt om toepassing van de schuldsaneringsregeling, te goeder trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van de nieuwe schulden. Om die reden ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er geen ruimte is voor het maken van andere dan door de wetgever gemaakte uitzonderingen, mede nu daardoor afbreuk zou worden gedaan aan een van de hoofddoelstellingen van de nieuwe regeling, te weten beheersing - door het stellen van strenge toelatingscondities - van het toenemende beroep op de schuldsaneringsregeling en beperking van de daarmee gepaard gaande toenemende werklast voor rechter en bewindvoerder (vgl. HR 12 juni 2009, LJN BH7357 alsook Kamerstukken 29 942, nr. 3, p. 4 en 5).
3.5.4.
Blijkens diens uitspraak van 1 februari 2013 (LJN BY0964), houdt de Hoge Raad vast aan zijn eerdere uitspraak van 12 juni 2009 (LJN BH7357). Dit betekent dat enkel in het geval dat zich een in artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder d Fw bedoelde uitzonderingsgrond voordoet, een schuldenaar binnen een periode van tien jaar opnieuw een verzoek kan doen om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het staat de rechter niet vrij af te wijken van de door de wetgever bewust gemaakte keuze voor de imperatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder d Fw. Het is aan de wetgever zélf om iets aan de tienjaarstermijn van artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder d Fw te doen. Blijkens de naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad van 1 februari 2013, meer in het bijzonder de door A-G Wuisman vόόr deze uitspraak genomen conclusie, gestelde Kamervragen van leden van de Tweede Kamerfractie van de SP acht de regering (thans) echter geen termen aanwezig om tot een versoepeling van het bepaalde in artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder d Fw over te gaan (vgl. het antwoord van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 april 2013 (2013Z04035).
3.6.
De vonnissen waarvan beroep zullen derhalve worden bekrachtigd.

4.De uitspraak

Het hof:
in de zaken met zaaknummers HV 200.137.806/01 ([de vrouw]) en HV 200.138.166/01 ([de man]):
bekrachtigt de vonnissen.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, P.J.M. Bongaarts en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2014.