Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting, gerelateerd aan een buitenlandse bankrekening die niet was opgegeven. De Rechtbank veroordeelde de Inspecteur en de Staat tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het hof onderzocht of de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep terecht was vastgesteld en of verlenging gerechtvaardigd was vanwege het afwachten van prejudiciële vragen en de complexiteit van de zaak. Het hof oordeelde dat het afwachten van prejudiciële vragen niet aannemelijk was en dat de bezwaarprocedure niet zodanig ingewikkeld was dat een langere termijn dan zes maanden gerechtvaardigd was.
Voor de beroepsfase erkende het hof dat het uitstel voor het indienen van de beroepsmotivering grotendeels buitennormaal was, wat een langere redelijke termijn rechtvaardigde. De totale overschrijding bedroeg 24 maanden, waarvan 12 maanden aan de Inspecteur werden toegerekend. Het hoger beroep van de Inspecteur werd ongegrond verklaard en hij werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.