In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën behandeld tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waarin een vergoeding werd toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van een belastingzaak.
Het hof had geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden en dat de Staat en de Inspecteur gezamenlijk aansprakelijk waren voor immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad bevestigde dat eigen schuld van de belastingplichtige, zoals het bewust verzwijgen van inkomen en weigering tot medewerking, geen rol speelt bij de toekenning van schadevergoeding wegens termijnoverschrijding. Wel kan gebrek aan medewerking meewegen bij de beoordeling of de termijn redelijk is overschreden.
Daarnaast verduidelijkte de Hoge Raad dat de tijd die gemoeid is met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie buiten beschouwing moet blijven, mits partijen schriftelijk op de hoogte zijn gesteld van de aanhouding. Deze schriftelijke kennisgevingseis geldt vanaf 1 april 2014. De Hoge Raad verklaarde beide cassatieberoepen ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.