ECLI:NL:HR:2006:AU8887
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en compensatie overschrijding in strafproces
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg kon worden gecompenseerd door een snelle behandeling in hoger beroep. De verdachte was op 14 mei 2001 in verzekering gesteld en de zaak werd pas op 1 juni 2004 in eerste aanleg afgerond, wat neerkomt op een overschrijding van meer dan 36 maanden, ruim boven de redelijke termijn van twee jaar.
De rechtbank had de overschrijding erkend en de straf met vier maanden verminderd. De verdachte stelde hoger beroep in, waarna het hof oordeelde dat de totale duur van de procedure, inclusief het snelle hoger beroep, binnen een redelijke termijn viel. De Hoge Raad onderzocht dit oordeel en stelde vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg in aanzienlijke mate was overschreden.
De Hoge Raad benadrukte dat compensatie van termijnoverschrijding in eerste aanleg door voortvarende behandeling in hoger beroep mogelijk is, maar afhankelijk is van de omstandigheden en de mate van overschrijding. In deze zaak vond de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de overschrijding was gecompenseerd niet zonder meer begrijpelijk. Desondanks vernietigde de Hoge Raad het arrest niet ambtshalve en wees het beroep voor het overige af.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd met veertien maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn.