Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant],
[appellante],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 240633/HA ZA 11-1739)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;
- de akte uitlating producties van [geïntimeerde];
- de antwoordakte uitlating producties van [appellant] tevens akte indiening producties.
3.De beoordeling
“om te komen van en naar het heersend erf over deze weg naar en van de openbare weg”. De desbetreffende weg, door partijen ook “pad” genoemd, was destijds een zandweg.
“om te komen van en naar het heersend erf over deze weg naar en van de openbare weg”en 2. in 2000 ter zake deze erfdienstbaarheid nader is bepaald dat de weg (het onverharde zandpad) zou worden verhard. In de akte van 25 juli 2000 is ten aanzien van de uitvoering van de verharding van het pad beschreven dat dit deels zal gebeuren door een verharding van klinkers en deels (aansluitend aan de klinkerverharding) door een verharding van betonplaten met een tussenstrook van gras van 3 meter breed.
alle zakenbinnen een afstand van 2 meter aan weerszijden van het pad. Volgens [geïntimeerde] mag het verbod alleen betrekking hebben op door [appellant] gestelde zaken die een onrechtmatige gevaarzettende situatie opleveren. Hiervan is volgens [geïntimeerde] geen sprake nu de betreffende zaken het zicht op het pad niet belemmeren of verminderen. Met grief 2 in incidenteel appel stelt [geïntimeerde] dat de zaken, behoudens de dijk, zich niet binnen een afstand van 2 meter van het pad bevonden. De dijk die voor de hoop zand lag, is terstond na het vonnis verplaatst, aldus [geïntimeerde].