Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[X.] Diesel Marine BV,gevestigd te [vestigingsplaats 1],
[X.] Scheeps Electro BV,
gevestigd te [vestigingsplaats 1],
1.mr. M.C.J. Oonk-Pallandt (curator van Libertas Scheepsholding BV),kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2],
2.ABN Amro Bank NV,gevestigd te [vestigingsplaats 3],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/250329/ HA ZA 12-414)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord van de curator;
- de memorie van antwoord van de bank;
- het pleidooi, waarbij alle partijen pleitnotities hebben overgelegd;
3.De beoordeling
Dit geld komt ten dele van de verzekering via een “akte van cessie” en restant + BTW via V.o.f. [sleepbedrijf] te [vestigingsplaats 4]”. Deze derde offerte is door Libertas en [Diesel Marine] ondertekend (maar niet door genoemde v.o.f. [sleepbedrijf]).
Naar aanleiding van het telefoongesprek met dhr. [bestuurder Libertas] door [directeur appellanten] d.d. 18 november 2010 doen wij u hierbij onze herziene opdrachtbevestiging toekomen. Hiermede komt opdrachtbevestiging (..) d.d. 16 november 2010 te vervallen.” De betalingscondities waren gelijk aan die uit de eerdere opdrachtbevestiging. Deze offerte is getekend door [Diesel Marine] en Libertas (maar niet door [sleepbedrijf]).
. Deze motor is te Gorinchem uitgebouwd, vervolgens in onze werkplaats volledig gereviseerd conform de overeengekomen opdrachtbevestiging 10455 rev2 pos. A en B en staat nu gereed om teruggeplaatst te worden.
in retentie totdat alle openstaande facturen aan de [X.] Diesel & Marine Bedrijvengroep m.b.t. leveringen en reparaties aan dit schip, inclusief bijkomende (incasso-)kosten en rente zijn voldaan.
Geachte heer [directeur appellanten],
en verhypothekeerd aan[de bank]
, op dit moment, onder beslag bij uw bedrijf aan de kade ligt. Het schip is aldaar terechtgekomen in verband met een noodzakelijke reparatie aan de motor. Uw bedrijf heeft de motor uit het schip gehaald en de diverse reparaties uitgevoerd. Op dit moment staat de motor gereed om in het schip te worden teruggeplaatst, uiteraard pas op het moment dat door u betaling is ontvangen. U gaf aan dat de reparatiekosten
te bewerkstelligen;
teneinde de motor in het schip te kunnen plaatsen. (…)
Uiteraard werkt cliënte mee aan taxatie, verkoop en afwerking van de motorisering etc. van de Libertas met inachtneming van het retentierecht en haar voorrangsrecht. Ik verzoek u (..) een voorstel uit te werken voor taxatie en een makelaar, etc. en mij dat te doen toekomen, zodat ik dat kan bespreken met cliënte en daarna goedkeuring kan geven”.
(..) waarna tussen [Diesel Marine]/[Scheeps Electro], de Bank en de curatrice een bodemprocedure zal worden gevoerd over de vraag wie (..) recht heeft op het in depot gebleven deel van de opbrengst van de verkoop;
Op deze wijze oordeelt de rechtbank over het geschil van partijen en wordt de afgifte van een verklaring voor recht door de rechtbank (..) maatgevend en doorslaggevend voor de vraag of de werkzaamheden van [Diesel Marine] en [Scheeps Electro] volledig betaald worden of niet.”
Koper aanvaardt dat de thans in de machinekamer staande hoofdmotor (..) is uitgebouwd (..) Deze motor vormt onderdeel van de onderhavige verkoop, doch zonder dat deze door verkoper in de Libertas ingebouwd zal worden.”
Partijen hebben in deze procedure evenwel afgesproken dat zij alle stellingen jegens elkaar mochten innemen en dat zij elkander op dat punt geen beperkingen zouden opleggen”.
Wanneer de voortbewegingswerktuigen eenmaal bestanddeel van het schip zijn geworden, doet tijdelijke verwijdering uit het schip hun zelfstandigheid niet herleven.” Met deze uitleg van art. 8:1 lid 3 BW Pro wordt voorkomen dat er een wisselend regime op de voortbewegingswerktuigen van toepassing is al naar gelang zij zich aan boord dan wel voor onderhoud of reparatie bij een werf bevinden. Crediteuren behouden de (voor) rechten op het bestanddeel, ook als dat tijdelijk van de hoofdzaak is gesepareerd.
De zaak kan ook door de curator worden opgeëist en (..) worden verkocht, onverminderd de voorrang, aan de schuldeiser in artikel 292 van Pro Boek 3[BW]
toegekend”. De tweede zin van dit artikellid blijft toepasselijk. Hierin is geregeld dat de curator de zaak ook door voldoening van de vordering van de retentor in de boedel terug kan brengen (lossing). De niet van toepassing verklaarde leden 3 en 4 van art. 60 Fw Pro bepalen dat de schuldeiser de curator een redelijke termijn kan stellen om tot toepassing van zijn bevoegdheid tot opeising of lossing over te gaan, en dat de schuldeiser de zaak (lid 3) of het registergoed (leden 3 en 4) zelf kan executeren.
Het voor binnenschepen geldende Verdrag van Genève maakt het scheppen van voorrechten boven de in Protocol I (b) genoemde onmogelijk. Dit brengt mee dat ernstige twijfel bestaat of de figuur van artikel 3.10.4A.4[art. 3:292 BW Pro, hof ]
die weliswaar geen voorrecht oplevert, maar wel daarmee sterk verwant is, toegelaten zou zijn. Ter wille van de harmonie tussen zeerecht en binnenvaartrecht is deze figuur daarom ook hier uitgesloten. Dit brengt mee dat ook artikel 60 Faillissementswet Pro, voor zover daarin van de toepasselijkheid van artikel 3.10.4A.4 wordt uitgegaan, niet van toepassing dient te zijn. Het gevolg van de onderhavige bepaling is dat voor het retentierecht op zeeschepen hetzelfde blijft gelden als in het huidige recht (…)’