Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/269883/HAZA 13-710)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Inpandgeving van een handelszaak” opgemaakt (prod. 6 inl. dagv.)
Hierin verklaart de pandgever dat aan de bank in pand wordt gegeven “
de handelszaak van kleinhandel in plezier-en sportvaartuigen, surfplanken, zielen, enz. groot-en kleinhandel in motorjachten, motorboten, pleziervaartuigen- verhuur ervan, charteren en leasen evenals van alle daaraan verbonden activiteiten, met als benaming [Marine] Marine NV”. In art. 1 van Pro deze akte staat (louter aanwijzend en niet beperkend) omschreven wat het pandrecht omvat. Op 14 januari 2010 is het inschrijvingsborderel opgemaakt met betrekking tot deze inpandgeving en het pandrecht is op 22 januari 2010 ingeschreven bij het hypotheekkantoor te [vestigingsplaats 2] .
Scheepshypotheekbewaring te [postcode] [kantoorplaats] -Register der zeeschepen” gaat is het jacht een zeeschip, op 14 november 2012 geregistreerd, waarop sinds 15 november 2012 een hypotheek rust ten gunste van ING België NV (prod. 6 inl. dagv.).
Wij vernamen dat het Zeiljacht [het jacht] dat gestald is in één van onze loodsen mogelijk verkocht is. (..) Met deze melden wij dat onze vordering tot € 43.490,40 is opgelopen, waarvan € 40.565,40 onder het faillissement valt. Tevens wensen wij u duidelijk te stellen dat wij zonder betaling van de openstaande bedragen het Recht van Retentie zullen toepassen en het schip niet zullen vrijgeven. (..)”.
Factuur [factuurnummer 1] van 13 december 2012 met een gefactureerd bedrag van € 4.235,00, ziet op (de winterberging van) het jacht.
In reconventie heeft [appellante] gevorderd een verklaring voor recht dat zij zich voor de gehele vordering van [appellante] in het faillissement van Benelux Yacht op haar retentierecht jegens de gefailleerde Yacht kan beroepen. Zij vordert voorts betaling aan haar van € 40.565,40 vermeerderd met de wettelijke handelsrente en met buitengerechtelijke kosten.
Dit recht bepaalt met name welke goederen tot de boedel behoren (artikel 4 lid 2 sub b IVO Pro), welke de bevoegdheden van de schuldenaar en de curator zijn (artikel 4 lid 2 sub c IVO Pro) en wat de regels zijn met betrekking tot onder meer de verdeling van de opbrengst van de te gelde gemaakte goederen en de rangindeling van de vorderingen (artikel 4 lid 2 sub i IVO Pro).
Hier gaat het om de vraag of [appellante] haar retentierecht op het jacht heeft prijsgegeven tegen het stellen van vervangende zekerheid door de curator, zodat de patstelling waarin partijen verkeerden zou worden doorbroken, zoals [appellante] ook stelt. De curator heeft daar zelf in eerste aanleg over verklaard: “
heeft zich (..) beroepen op een retentierecht. Het jacht is tijdens faillissement door de curator verkocht. Aangezien de curator en [appellante] geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent de omvang en de gevolgen van het retentierecht waarop [appellante] zich beriep, is een bedrag van € 42.073,87 uit de koopsom van het jacht geconsigneerd (..). Dat bedrag diende op die derdenrekening te blijven staan tot het moment dat duidelijkheid bestond omtrent het bestaan en de omvang van het door [appellante] ingeroepen retentierecht (..). Na storting (..) is het jacht door [appellante] vrijgegeven en door de curator geleverd aan de koper” (inl. dagv. nr 4). Onbetwist heeft [appellante] in haar conclusie van antwoord gesteld dat zij niet bereid was het jacht vrij te geven voor levering aan de koper, en dat daarom overeengekomen werd dat een bedrag, dat nagenoeg overeenkwam met de totale vordering van [appellante] op Benelux Yacht, in consignatie werd gegeven.