Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/03/145169 / HA ZA 09-1344)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
) omschreven gebruik door koper of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot schoning van het registergoed, dan wel tot het nemen van andere maatregelen;
met betrekking tot de herkomst en ontstaan van de verontreiniging met asbest” geen uitspraken kan doen, had [geïntimeerde 1] gelet op art. 21 Rv Pro ertoe moeten brengen om meteen te vermelden op welke wijze hij de feitelijke situatie ter plekke heeft veranderd tussen de dag van levering en de eerste dag dat de deskundige zich ter plekke meldde. Het hof wijst er verder op dat bijlage 1 bij de door [geïntimeerde 1] bij memorie van antwoord overgelegde productie 1 als één van de belangrijkste feiten die het aannemelijk maken dat het geval van ernstige asbestverontreiniging in de grond voor 1993 is ontstaan, noemt “
betreffende terreindeel is momenteel met een circa 10 cm dikke zandlaag afgedekt”. Het is voor het hof niet duidelijk of hiermee de recent door [geïntimeerde 1] aangebrachte zandlaag wordt bedoeld en, zo ja, waarom dit dan zou meewegen bij de conclusie dat de verontreiniging van voor 1993 dateert.
het risico dat mogelijkerwijze later mocht blijken dat in de verkochte bodem enige verontreiniging aanwezig is welke aan partijen thans niet bekend is of thans naar de huidige stand der wetenschap niet als verontreiniging wordt onderkend”.