Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 494614 CV EXPL 12-4080)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met een productie.
3.De beoordeling
“Partijen zijn het erover eens dat [appellant] in de periode van 30 november 2011 tot 30 april 2012 vrijgesteld is geweest van werkzaamheden.”
maart2012, hetgeen niet past bij een vrijstelling van werk tot 30 april 2012 (of 1 mei 2012). Verder is het proces-verbaal van de comparitie van partijen niet in hun aanwezigheid opgemaakt en niet door partijen ondertekend. Niet is gesteld of gebleken dat partijen in de gelegenheid zijn geweest om fouten in dat proces-verbaal te (laten) corrigeren.
maart2012 aan [geïntimeerde] (prod. 15 inl.dagv.), waarin wordt medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst door [geïntimeerde] is opgezegd bij brief van 30 november 2011 [die niet is overgelegd, hof] per 1
maart2012, moet sprake zijn van een vergissing van [appellant] toen hij aanvankelijk stelde dat hij tot 30 april 2012 is vrijgesteld van werk (punt 11 inl.dagv.). Overigens heeft [appellant] zich nog eens vergist als hij het heeft over inkomstenderving van 1 februari 2012 tot 1 april 2012 (punt 27 inl.dagv.).
Kamerstukken II1951/52, 881, nr. 6, p. 30) te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Daarmee strookt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft op grond van alle omstandigheden de hoogte van de schadevergoeding te bepalen. De algemene regels van Boek 6 BW zijn op de begroting van de schadevergoeding van toepassing. Derhalve moet de rechter de schade begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 7:97 BW Pro). Alleen indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat.