Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2814654 /317/14-1894)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De appellant was sinds 1986 in dienst bij het schildersbedrijf, aanvankelijk als bedrijfsleider en later als teamleider. Het dienstverband werd opgezegd per 1 september 2013 na een ontslagvergunning vanwege bedrijfseconomische redenen, toegekend door het UWV.
De appellant stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was, onder meer omdat de opgegeven redenen niet de werkelijke waren (voorgewende of valse reden) en vanwege de gevolgen voor hem als werknemer. Hij betoogde dat de financiële onderbouwing van het ontslag niet deugde en dat alternatieve bezuinigingen mogelijk waren.
Het hof oordeelde dat de ontslagaanvraag terecht was gebaseerd op zowel acute als geleidelijke werkvermindering en dat de appellant onvoldoende concrete feiten had gesteld om de opgegeven redenen als vals of voorgewend aan te merken. Ook was de werkgever vrij in de keuze van bezuinigingsmaatregelen.
Ten aanzien van het gevolgencriterium concludeerde het hof dat de werkgever binnen haar financiële mogelijkheden voorzieningen had getroffen, waaronder begeleiding en vrijstelling van werk, waarvan de appellant geen gebruik had gemaakt. De bijzondere zorgplicht die appellant meende te hebben op grond van afspraken uit 1993 was niet meer van toepassing.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de appellant in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het gerechtshof heeft het hoger beroep afgewezen en het ontslag van appellant als niet kennelijk onredelijk bevestigd.