Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met producties;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant trad in 2008 in dienst bij Merwestaal en ging later over naar Merwestaal Op Maat. In 2013 werd zijn arbeidsovereenkomst opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen met toestemming van het UWV. Appellant stelde dat de ontslagreden vals was omdat zijn functie onjuist was omschreven als kraner, terwijl hij feitelijk voor 80% als afschuiner werkte. Hierdoor zou hij volgens het afspiegelingsbeginsel niet voor ontslag in aanmerking zijn gekomen.
De kantonrechter wees zijn vorderingen af. In hoger beroep bevestigt het hof dat de bewijslast bij appellant ligt om aan te tonen dat sprake is van een valse reden en dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Het hof oordeelt dat de functieomschrijving in de arbeidsovereenkomst niet leidend is, maar dat de feitelijke werkzaamheden bepalend zijn.
Omdat partijen hierover van mening verschillen, staat het hof appellant toe bewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor onder leiding van een raadsheer-commissaris. De zaak wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd. Het hof regelt de procedure voor het opgeven van getuigen en bewijsstukken en stelt een rolzitting in voor verdere afhandeling.
Uitkomst: Het hof staat appellant toe bewijs te leveren dat het ontslag op een valse reden berust en houdt de zaak aan voor nadere bewijslevering.