ECLI:NL:GHSHE:2015:600

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 februari 2015
Publicatiedatum
25 februari 2015
Zaaknummer
HD 200 153 150_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verklaring voor recht beëindiging arbeidsovereenkomst wegens onvoldoende belang

ABN AMRO vorderde in hoger beroep een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst met de werknemer op 8 augustus 2012 van rechtswege was geëindigd. De werknemer had zich daartegen verzet en stelde dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan, mede op grond van bepalingen uit de ABN AMRO CAO 2010-2013.

De kantonrechter had de vordering van ABN AMRO reeds afgewezen, omdat hij oordeelde dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was voortgezet. ABN AMRO stelde in hoger beroep dat zij principieel belang had bij de uitspraak, ondanks dat de arbeidsovereenkomst inmiddels met wederzijds goedvinden was beëindigd per 1 september 2014.

Het hof stelde echter vast dat ABN AMRO onvoldoende belang had bij de gevorderde verklaring voor recht, omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels was beëindigd en ABN AMRO geen gevolgen aan een toewijzing zou verbinden. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en veroordeelde ABN AMRO in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: De vordering van ABN AMRO tot verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd, wordt afgewezen wegens onvoldoende belang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.153.150/01
arrest van 24 februari 2015
in de zaak van
ABN AMRO Bank N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
hierna aan te duiden als ABN AMRO,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
niet verschenen,
op het bij exploot van dagvaarding van 12 juni 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, team kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, van 13 maart 2014, gewezen tussen ABN AMRO als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2265336, rolnummer 13-7594)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
- de memorie van grieven met producties.
Hierna is arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.1.1.
[geïntimeerde] is vanaf 12 november 2007 tot en met 8 augustus 2011 op basis van
uitzend-/detacheringsovereenkomsten met Randstad bij ABN AMRO werkzaam geweest. Aansluitend zijn partijen een arbeidsovereenkomst aangegaan per 9 augustus 2011 voor de duur van één jaar.
3.1.2.
De arbeidsovereenkomst tussen ABN AMRO en [geïntimeerde] werd onder meer beheerst door, voor zover hier van toepassing, de ABN AMRO CAO 2010-2013. Daarin is onder meer bepaald:
“Het vaste dienstverband, voor onbepaalde tijd, is de regel. Het tijdelijke contract, voor bepaalde tijd, is de uitzondering. (…)Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag alleen bij:• piekvorming in het werk;• tijdelijke vervanging van een collega;• een project;• een overgangsfase bij een reorganisatie; of• een opleidingsperiode voor een trainee.Deze beperkende opsomming geldt, om een ruimere herplaatsingsmogelijkheid van vaste medewerkers te bereiken, niet in de integratieperiode die loopt tot 2013.”
Deze CAO-bepaling wordt in het navolgende aangeduid als “CAO-bepaling 1”.
3.1.3.
Verder is in de betreffende CAO bepaald:
“De duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is maximaal drie jaren. In afwijking van wettelijke bepalingen wordt bij het aangaan of verlengen van zo’n arbeidsovereenkomst geen rekening gehouden met alle uitzend- en detacheringsperiodes bij deBankdie liggen in het halfjaar voorafgaand aan de eerste arbeidsovereenkomst.”
Deze CAO-bepaling wordt in het navolgende aangeduid als “CAO-bepaling 2”.
3.1.4.
Op 11 juni 2012 heeft ABN AMRO aan [geïntimeerde] laten weten haar dienstverband na 8 augustus 2012 niet te zullen voortzetten.
3.2.1.
In de onderhavige procedure vordert ABN AMRO voor recht te verklaren dat de tussen [geïntimeerde] en ABN AMRO gesloten arbeidsovereenkomst op 8 augustus 2012 van rechtswege is geëindigd.
3.2.2.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg de vordering van ABN AMRO gemotiveerd bestreden. Zij heeft betwist dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege is geëindigd. Volgens haar is er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. Daarbij heeft [geïntimeerde] onder meer een beroep gedaan op CAO-bepaling 1 en 2.
3.3.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter op basis van uitleg van CAO-bepaling 2 geoordeeld dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen tussen ABN AMRO en [geïntimeerde]. Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vordering van ABN AMRO afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.
3.4.
ABN AMRO heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. Deze richt zich kort gezegd tegen het oordeel van de kantonrechter over de uitleg van CAO-bepaling 2.
3.5.
Het hof stelt vast dat ABN AMRO in deze procedure enkel een verklaring voor recht
vordert. Het hof dient ambtshalve te beoordelen of ABN AMRO in hoger beroep bij de door
haar gevorderde verklaring voor recht (nog) belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW Pro. Vooropgesteld wordt dat, wanneer een verklaring voor recht wordt gevorderd, de eiser zijn belang bij die vordering moet aantonen. Er moeten bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die het wenselijk maken dat de aanspraken van eiser door een verklaring voor recht worden veiliggesteld.
3.6.
ABN AMRO voert in hoger beroep in randnummer 32 van haar memorie van grieven het volgende aan:
“Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en ABN AMRO op andere gronden inmiddels met wederzijds goedvinden is beëindigd met ingang van 1 september 2014. Dit gegeven ontneemt evenwel niet het belang aan deze – voor ABN AMRO principiële – procedure. Bij toewijzing van de door ABN-AMRO gevorderde verklaring voor recht zal zij overigens niet overgaan tot terugvordering van [geïntimeerde] van enig loon of andere bedragen over de periode van 8 augustus 2012 tot 1 september 2014.”
3.7.
ABN AMRO stelt dat zij belang heeft bij een uitspraak in de onderhavige – voor haar principiële – procedure. Uit de hierboven vermelde passage uit de memorie van grieven leidt het hof af dat de door ABN AMRO gevorderde verklaring voor recht in hoger beroep niet meer van belang is voor de rechtsverhouding tussen ABN AMRO en [geïntimeerde]. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is immers inmiddels beëindigd en ABN AMRO zal in geval van toewijzing van de verklaring voor recht naar eigen zeggen daaraan jegens [geïntimeerde] geen gevolgen verbinden door enig loon of andere bedragen van haar terug te vorderen.
Een verklaring voor recht kan evenwel enkel dienen tot het op bindende wijze vaststellen van een rechtsverhouding of het preciseren van haar inhoud jegens de andere onmiddellijk betrokkene(n) bij deze rechtsverhouding (vgl. HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0833). In de onderhavige procedure is alleen de rechtsverhouding tussen ABN AMRO en [geïntimeerde] aan de orde. Daarvoor is de gevorderde verklaring voor recht niet langer van belang, althans dat heeft de bank onvoldoende toegelicht. Mogelijk wenst ABN AMRO een uitleg van de op de arbeidsovereenkomst tussen haar en [geïntimeerde] van toepassing zijnde CAO met het oog op (al dan niet toekomstige geschillen met) andere werknemers, echter dat is niet een belang dat de rechtsverhouding tussen haar en [geïntimeerde] betreft en dat is derhalve onvoldoende om de gevorderde verklaring voor recht te rechtvaardigen.
3.8.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ABN AMRO onvoldoende heeft gesteld om in hoger beroep (nog) voldoende belang te hebben bij de door haar gevorderde verklaring voor recht. Dit betekent dat de vordering van ABN AMRO dient te worden afgewezen, gelijk de kantonrechter (op andere gronden) in het bestreden vonnis heeft gedaan. Het hof zal daarom het bestreden vonnis bekrachtigen en zal ABN AMRO als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

4.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, M. van Ham en I. Bouter en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 februari 2015.
griffier rolraadsheer