Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Gameworld B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
Rishi Ventures B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
[appellant 3 (HV 200 161 047_01)],wonende te [woonplaats],
Savon B.V.,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
deel I). Met dit eerste aanbod is een meerderheid van de crediteuren (18 van de 21) met een totaalbedrag van vorderingen van € 26.535.423,78 akkoord gegaan.
deel I) bij brief van 31 oktober 2014 (met als bijlage de brief van 14 oktober 2014 van mr. Hennink) de concurrente schuldeisers geïnformeerd over de mogelijkheid om tegen betaling van 1,3% van hun vordering te gaan participeren in een inmiddels opgerichte Claim B.V. (
deel II).
Deze pro rate parte vorderingen worden opeisbaar 1) als Claim B.V. haar activiteiten zou staken of zou failleren voordat tenminste op het niveau van het gerechtshof onherroepelijk is geoordeeld over de beweerdelijke vordering van [appellant 1 (HV 200 161 039_01)] op SNS Bank en/of SNS Securities
dan wel 2) indien de crediteuren die meedoen in Claim B.V. uiteindelijk minder dan 5% van hun vordering in hoofdsom uitgekeerd krijgen. De rechtbank heeft een en ander in de bestreden beschikking miskend: in r.o. 3.1 staat ten onrechte niet vermeld dat de vordering van € 12.500.000,-- pro rate parte bij aanvang van deelname in Claim B.V. meteen al wordt overgedragen onder opschortende voorwaarde aan de participerende crediteuren, zoals omschreven in onderdeel 2.B (“Participanten Claim BV”) van de brief van mr. Hennink van 14 oktober 2014. Onderdeel 1.D van genoemde brief sluit daar bij aan nu opeisbaarheid (als omschreven in onderdeel 1.C van genoemde brief) de opschortende voorwaarde voor overdracht vormt. Derhalve zal nimmer Claim B.V. een opeisbare vordering op de heer [appellant 1 (HV 200 161 039_01)] hebben, maar uitsluitend de participerende crediteuren - zie in dit verband ook onderdeel 2. F, voorlaatste zin van genoemde brief - , in welk kader al meteen na cessie mededeling aan [appellant 1 (HV 200 161 039_01)] zal worden gedaan.
“zijn brief van 31 oktober 2014, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 3 november 2014, tevens onderdeel uitmaakt van het aan te bieden akkoord en dat alle crediteuren, waarvoor hij heden in rechte optreedt en waarvan hij volmachten heeft, bekend zijn met de inhoud van deze brief en daarmee instemmen. Deze brief is aan dit proces-verbaal gehecht en moet hier als ingelast worden beschouwd.”Er is op dit punt geen rectificatie op de voet van artikel 137 lid 2 Fw Pro verzocht, waardoor voor het hof vaststaat dat ook deel II onderdeel uitmaakt van het akkoord.
De verdiencapaciteit van [appellant 1 (HV 200 161 039_01)] buiten faillissement ligt in theorie iets hoger, nu de beslagvrije voet ietwat lager ligt dan het vrij te laten bedrag in faillissement of schuldsanering, maar ook hier geldt dat een hogere toekomstige opbrengst als hiervoor bedoeld in een situatie buiten faillissement of schuldsanering niet aanstonds aan de orde lijkt, nu [appellant 1 (HV 200 161 039_01)] geen baan heeft en een herstart als ondernemer door hem niet onbegrijperlijkerwijs kansloos wordt geacht zolang hij de schuldenlast heeft als geverifieerd.
Tenslotte weegt mee dat - zoals hiervoor al overwogen - crediteuren door deelname aan Claim B.V. in ieder geval voorwaardelijk een vordering kunnen behouden op [appellant 1 (HV 200 161 039_01)] en daarmee op diens thans ongewisse verdiencapaciteit.
Verder is het hof niet gebleken van andere gronden die weigering van het akkoord rechtvaardigen als bedoeld in artikel 153 lid 3 Fw Pro. De door ABN nog genoemde verdwenen sieraden (en deel van de inboedel) vormen deels een onderdeel van de vorderingen als opgenomen in Claim B.V. en hebben voorts de curator, die onderzoek ernaar heeft gedaan en ter zake overleg heeft gehad met de curator van de (aanstaand) ex-echtgenote van [appellant 1 (HV 200 161 039_01)], [(aanstaand) ex-echtgenote], per saldo niet ertoe gebracht negatief te adviseren aangaande homologatie van het akkoord. Het hof ziet in dit aspect evenmin een reden voor weigering, nu niet evident is dat [appellant 1 (HV 200 161 039_01)] in dit opzicht een niet meewerkende failliet is gebleken en door de curator in ieder geval inventaris te gelde is gemaakt hetgeen € 25.000,-- heeft opgebracht.