Belanghebbende had BPM aangifte gedaan over een in Duitsland geregistreerde auto, waarbij een teruggaaf werd gevraagd. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op en bepaalde een lagere teruggaaf. De Rechtbank verklaarde dat belanghebbende geen BPM verschuldigd was en vernietigde de aanslag en teruggaafbeschikking, maar besloot niet over een rentevergoeding.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen het ontbreken van een adequate rentevergoeding. De Inspecteur had weliswaar een rentevergoeding vastgesteld bij beschikking, maar deze was pas na het instellen van het hoger beroep uitbetaald. Het Hof oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was en dat de reeds betaalde rentevergoeding niet adequaat was, omdat deze niet was berekend tot de daadwerkelijke uitbetalingsdatum.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende recht heeft op rente over de periode vanaf de onverschuldigde betaling tot de dag voor terugbetaling, conform het arrest Mariana Irimie en artikel 28c van de Invorderingswet 1990. Het Hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het geen adequate rentevergoeding betrof, gelastte de Inspecteur tot betaling van de correcte rentevergoeding, vergoedde het betaalde griffierecht en veroordeelde de Inspecteur tot een tegemoetkoming in de proceskosten.