Uitspraak
Afdeling strafrecht
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[naam van de verdachte] ,
hij, verdachte, als bestuurder van de rechtspersoon met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 8] , die op 7 oktober 2003 bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Breda in staat van faillissement was verklaard, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2003 tot en met 31 december 2003 te Baarle-Nassau, althans elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van die rechtspersoon, te weten de Belastingdienst en/of een of meer andere schuldeiser(s) van die rechtspersoon, baten niet heeft verantwoord en/of enig goed aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) zonder rechtsgrond een bedrag van ongeveer € 650.000,-- (D/464, D/465), niet verantwoord en/of een bedrag van ongeveer € 350.000,-- (D/054) aan de boedel en/of aan het beheer van de curator onttrokken;
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2002 t/m 30 juni 2006 te Baarle Nassau en/of Alphen en/of Sint Oedenrode en/of Schijndel en/of Wernhout en/of 's-Hertogenbosch en/of Breda en/of Chaam en/of Eersel, althans elders in Nederland, en/of te Ravels (België) en/of Weelde (België), heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van (rechts)personen, bestaande uit [bedrijf 1] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 10] en/of [bedrijf 2] en/of [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk valsheid in geschrift en/of faillissementsfraude en/of het opzettelijk niet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn, dan wel het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van belastingaangiften (omzetbelastingfraude) en/of oplichting;
[bedrijf 8] in of omstreeks de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 september 2003 te Breda, in elk geval in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de Invorderingswet 1990 verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen of gegevens, opzettelijk deze niet, onjuist of onvolledig heeft verstrekt, terwijl dat feit/die feiten ertoe strekt/strekken dat te weinig belasting wordt ingevorderd, immers heeft [bedrijf 8] op of omstreeks 7 juli 2003 de belastingambtenaar van de Belastingdienst te Breda medegedeeld dat de verschuldigde omzetbelasting zou worden voldaan en/of op of omstreeks 3 september 2003 een fax gestuurd naar de Belastingdienst te Breda met de mededeling dat binnen 8 dagen de verschuldigde omzetbelasting zou worden voldaan (terwijl in werkelijkheid de bedoeling was die verschuldigde omzetbelasting nimmer te voldoen), tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven (D/013 t/m D/021, D/042, D/044, D/046);
[bedrijf 8] in of omstreeks de periode van 1 juli 2003 tot 1 oktober 2003 te Baarle-Nassau, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf 11] en/of met een ander of anderen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) factu(u)r(en) inzake verhuur (D/123 t/m D/125), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben die [bedrijf 8] en/of haar medeverdachte(n) (telkens) valselijk op die factuur/facturen aangegeven dat er sprake was van verhuur (door [bedrijf 11] ) van kantoorruimte aan [bedrijf 8] (terwijl in werkelijkheid geen sprake was van verhuur aan [bedrijf 8] , maar aan [bedrijf 12] ), zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven feit(en) hij, verdachte, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven,
[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2006 te Oudenbosch, gemeente Halderberge en/of Baarle Nassau en/of Breda en/of Alphen, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het 2e en/of 3e en/of 4e kwartaal 2004 (D/686 t/m D/689) en/of over het 1e en/of 2e en/of 3e en/of 4e kwartaal 2005 (D/761 t/m D/764) en/of over het 1e kwartaal 2006 (D/765) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben [bedrijf 1] en/of haar medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst te Breda en/of Heerlen en/of Utrecht ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) kwarta(a)l(en) (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting, althans (een) onjuist(e) bedrag(en) aan verschuldigde omzetbelasting en/of voorbelasting opgegeven, terwijl dat feit/die feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven,
hij, verdachte, als bestuurder van de rechtspersoon met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 8] , die op 7 oktober 2003 bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Breda in staat van faillissement was verklaard, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2003 tot en met 31 december 2003 te Baarle-Nassau, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van die rechtspersoon, te weten de Belastingdienst en/of andere schuldeisers van die rechtspersoon, baten niet heeft verantwoord en enig goed aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft hij, verdachte, zonder rechtsgrond een bedrag van € 286.917,27 niet verantwoord en een bedrag van ongeveer € 350.000,-- aan de boedel en aan het beheer van de curator onttrokken;
hij in de periode van 1 juni 2002 t/m 30 juni 2006 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van (rechts)personen, bestaande uit [bedrijf 1] en [bedrijf 9] en [bedrijf 8] en [bedrijf 5] en [A] en [D] en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk valsheid in geschrift en/of faillissementsfraude en/of het opzettelijk niet dan wel het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften (omzetbelastingfraude);
[bedrijf 8] in de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 september 2003 te Breda, telkens als degene die ingevolge de Invorderingswet 1990 verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen of gegevens, opzettelijk deze onjuist heeft verstrekt, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt ingevorderd, immers heeft [bedrijf 8] op 7 juli 2003 de belastingambtenaar van de Belastingdienst te Breda medegedeeld dat de verschuldigde omzetbelasting zou worden voldaan en op 3 september 2003 een fax gestuurd naar de Belastingdienst te Breda met de mededeling dat binnen 8 dagen de verschuldigde omzetbelasting zou worden voldaan, terwijl in werkelijkheid de bedoeling was die verschuldigde omzetbelasting nimmer te voldoen, aan welke bovenomschreven gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven;
[bedrijf 8] in de periode van 1 juli 2003 tot 1 oktober 2003 te Baarle-Nassau tezamen en in vereniging met [bedrijf 11] facturen inzake verhuur - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben die [bedrijf 8] en haar medeverdachte valselijk op die facturen aangegeven dat er sprake was van verhuur door [bedrijf 11] van kantoorruimte aan [bedrijf 8] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van verhuur aan [bedrijf 8] , maar aan [bedrijf 12] , zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven,
[bedrijf 1] in de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2006 in Nederland, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over het 2e en 3e en 4e kwartaal 2004 en over het 1e en 2e en 3e en 4e kwartaal 2005 en over het 1e kwartaal 2006 onjuist heeft gedaan, immers heeft [bedrijf 1] opzettelijk op de bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst te Breda en Heerlen en Utrecht ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde kwartalen telkens een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voorbelasting opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven,
het onder 1 bewezen verklaarde feitin subsidiaire zin bepleit dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat er sprake is van valse in- en verkoopfacturen, laat staan dat de verdachte daarbij als feitelijk leidinggevende betrokken is geweest. Een bewezenverklaring zou hoofdzakelijk berusten op de belastende onderdelen van de verklaringen van medeverdachte [D] , terwijl diens verklaringen doorspekt zijn van aannames en conclusies en daarom niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt, aldus de raadsvrouwe.
“U houdt mij voor dat ik bij mijn eerste FIOD verhoor heb verklaard dat ik het voor het zeggen had bij [bedrijf 1] en dat ik bij mijn tweede tot en met vijfde verhoor bij de FIOD heb verklaard over facturen die ik in opdracht van [de verdachte] in de administratie heb verwerkt, en dat ik bij de rechter-commissaris weer anders heb verklaard. U vraagt mij hoe het komt dat mijn verklaringen zo verschillend zijn. In die tijd, voor het verhoor bij de rechter-commissaris, zagen [voornaam van verdachte] (het hof: [de verdachte] ) en ik elkaar regelmatig en hij zou ook zorgen dat ik een advocaat zou krijgen. U vraagt mij hoe het zit met het verschil tussen het eerste en tweede tot en met vijfde FIOD verhoor. Tijdens de lunchpauze hebben zij mij op mijn rechten en plichten gewezen. Ik kreeg steeds meer punten waar ik niet uitkwam. Ik was nog nooit eerder in contact gekomen met justitie. Toen heb ik een besluit genomen om het uit te leggen in plaats van 103 dagen in bewaring te zitten. Met uitleggen bedoel ik vertellen zoals het werkelijk gegaan is.”
het onder 6 bewezen verklaarde feitniet slaagt. Uit de betrouwbaar geachte verklaringen van medeverdachte [D] volgt immers dat de verdachte ook ten aanzien van de in de bewezenverklaring omschreven aangiften een leidinggevende rol heeft gehad. Dat geldt ook ten aanzien van de aangiften over het tweede kwartaal van 2005 tot en met het tweede kwartaal van 2006. Medeverdachte [D] heeft tenslotte ten overstaan van de FIOD verklaard:
“Na de zoeking van 12 april 2005 is alles op verzoek van [de verdachte] gewoon doorgegaan, zoals voor 12 april 2005. (…) [de verdachte] heeft tegen mij gezegd dat ik op de aangiftebiljetten omzetbelasting van [bedrijf 1] vanaf 12 april 2005 tot en met heden geen te betalen omzetbelasting moest aangeven.”(V25-05, pagina 2).
“Elke keer als er een aangifte voor de BTW voor [bedrijf 1] na 12 april 2005 moest worden gedaan kreeg ik het weer benauwd. Ik besprak met[de verdachte] dat ik er weinig voor voelde om weer een valse aangifte BTW in te dienen. Elke keer weer wist [de verdachte] mij te overtuigen dat hij het zou oplossen.”(V25-06, pagina 2).
“ [de verdachte] wilde nooit de gefactureerde en verschuldigde omzetbelasting betalen. Het hele gedoe met het valselijk facturen, het inboeken van de valse inkoop en exportfacturen ging er nu juist om om met de BTW te frauderen. Als we juist en volledig hadden aangegeven had het hele gedoe geen enkel nut gehad.”(V25-06, pagina 5)
het onder 5 bewezen verklaarde feitvolgt het hof in grote lijnen de redenering van de rechtbank. Het verweer van de raadsvrouwe, dat zich tegen die redenering keert, wordt verworpen.
“Ik herken deze factuur. Dat is de factuur van de aankoop door [bedrijf 14] van dat containerchassis (…). Ik ben met een chauffeur van [bedrijf 14] naar Meer gereden met een vrachtwagentrekker. Er werd door [bedrijf 14] telefonisch betaald. Toen dat was geregeld konden we het chassis meenemen. Dat was in oktober 2002. (…) Er is onderhandeld over de prijs. (…) Ik wist wat een chassis nieuw moest kosten en de prijs die [bedrijf 8] (het hof: [bedrijf 8] ) vroeg was scherp. Daarom heb ik niet laten taxeren. Ik denk ook niet dat dat gebruikelijk is. (…) Er is niet getaxeerd.”(G06-01, pagina 2 en 3)
“Ik zie dit voor het eerst, het zegt mij niets. Ik heb dit nog nooit gezien. In januari 2003 was het chassis al in het bezit van [bedrijf 14] Ik weet niets van een taxatie af. (…) Het chassis is ook niet meer terug geweest bij [bedrijf 8] na oktober 2002. Wij laten het onderhoud van het chassis ook niet uitvoeren door [bedrijf 8] . Er is niet getaxeerd in januari 2003.”(G06-01, pagina 3)
“Het lijkt mij sterk dat [bedrijf 8] iets met verlies heeft verkocht. Ik had niet de indruk dat [bedrijf 8] van dat chassis af moest. (…) Zo te zien doet [bedrijf 8] iets niet goed.”(G06-01, pagina 4)
“ [de verdachte] had een waardebepaling nodig van (…) die Krone oplegger. (…) Ik heb alleen [een factuur] met daarop vermeld de waardebepaling aan De [bedrijf 8] verzonden. (…) De taxatie (het hof: beweerde taxatie) [is] uitgevoerd door mij in privé onder de naam [bedrijf 13] .”
“De huurder van het kantoor boven, unit 8, [moest] met ingang van 1 juli 2003 niet meer [bedrijf 12] maar [bedrijf 8] (…) zijn. Ik had die afspraak mondeling met [de verdachte] gemaakt op 11 juni 2003 (…). Ik heb [voornaam van G] (het hof: medeverdachte [G] ) opdracht gegeven (…) om de reeds uitgeschreven en uitgereikte huurnota’s over de maanden juli tot en met september 2003, D/123 tot en met D/125, aan [bedrijf 12] om te zetten in [bedrijf 8] , zoals eerder was afgesproken met [de verdachte] . (…) De naamswijziging is van [de verdachte] gekomen.”(V14-03, pagina 4 en 5)
“Huurfacturen [maakte] ik absoluut niet van tevoren op. De facturen voorzien van de stickers met bijlagennummer D/123 tot en met D/125 heb ik oorspronkelijk opgemaakt met als geadresseerde [bedrijf 12] op of omstreeks de op de facturen vermelde data. Ik moet dus (het hof: gelet op de data van de facturen) [na 21 augustus 2003] de opdracht van mijn directeur [E] hebben gekregen om de tenaamstelling van de oorspronkelijke huurder [bedrijf 12] om te zetten in [bedrijf 8] ”(V29-01, pagina 4)
het onder 3 ten laste gelegde feit. Het hof verwijst daarvoor naar de uitgebreide overwegingen van de rechtbank, als weergegeven op pagina 24 tot en met 29 van het vonnis, en maakt die tot de zijne. Anders dan de raadsvrouwe meent, volgt daaruit dat het bewijs voor deelneming aan een criminele organisatie toereikend is.
voorwaardelijke verzoekdat de raadsvrouwe in dit verband heeft gedaan, namelijk het verzoek tot het horen van medeverdachte [I] , wordt door het hof afgewezen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak daartoe ontbreekt. Daarbij heeft het hof enerzijds gelet op hetgeen de raadsvrouwe daaromtrent naar voren heeft gebracht en anderzijds op de steun die de verklaringen van medeverdachte [I] vinden in andere bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van medeverdachten [A] en [B] .
meermalen gepleegd.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) jaren.