Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van het zevende middel
5.Slotsom
6.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over deelname aan een criminele organisatie volgens art. 140 Sr Pro. De organisatie bestond uit natuurlijke personen en rechtspersonen die zich schuldig maakten aan valsheid in geschrift, faillissementsfraude en omzetbelastingfraude.
De Hoge Raad bevestigt dat voor bewezenverklaring van een organisatie vereist is dat sprake is van een duurzaam samenwerkingsverband tussen verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat dit samenwerkingsverband uit twee natuurlijke personen bestaat; een natuurlijk persoon kan ook deel uitmaken van een organisatie samen met een rechtspersoon.
Het Hof had echter geoordeeld dat verdachte samen met alleen een rechtspersoon deel uitmaakte van de organisatie, terwijl verdachte feitelijk de enige bestuurder, aandeelhouder en werknemer van die rechtspersoon was. De Hoge Raad spreekt verdachte daarom vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Daarnaast is de redelijke termijn in cassatie overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie naar twee jaar en acht maanden. De overige middelen worden verworpen en de rest van de bewezenverklaring blijft in stand.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan organisatie met rechtspersoon en gevangenisstraf verminderd tot twee jaar en acht maanden.