Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
6 oktober 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake het niet voldoen aan de fiscale administratieplicht zoals bedoeld in artikel 52 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Verdachte werd verweten opzettelijk een onjuiste administratie te hebben gevoerd door het opnemen en verwerken van valse (kopie-)inkoopfacturen en vrachtbrieven.
Het hof had bewezen verklaard dat verdachte op twee momenten in 2005 en 2006 niet voldeed aan de administratieplicht, wat ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Het hof kwalificeerde dit als een misdrijf onder artikel 68 en Pro 69 Awr. De Hoge Raad toetste dit oordeel aan eerdere jurisprudentie, met name het arrest van 22 februari 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR8030).
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door te stellen dat het opnemen en verwerken van valse facturen en vrachtbrieven per definitie niet voldoet aan de administratieplicht. Dit arrest vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.