Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 14 juli 2015;
- de akte van de Gemeente van 28 juli 2015 met productie;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] van 25 augustus 2015.
6.De beoordeling
heeft blijkens een met genoemde volmachtgever sub 2.B[ [geïntimeerde] , hof]
op zeventien november negentienhonderd negentig gesloten overeenkomst van koop en verkoop (…) aan de volmachtgever sub 2.B verkocht en levert op grond daarvan aan de volmachtgever sub 2.B (de heer [geïntimeerde] ), die blijkens voormelde overeenkomst (…) heeft gekocht en bij deze aanvaardt:
verkoopin 1991 worden gelezen als betrekking hebbend op de verkoop in november 1990 en dat alle stellingen inzake de
leveringin 1991 worden gelezen als betrekking hebbend op de levering in november 1993. Het hof kan dit doen (zoals hierna nader zal blijken) zonder dat onrecht wordt gedaan aan inhoud en strekking van de desbetreffende stellingen en van de door de Gemeente aangevoerde grieven tegen de bestreden vonnissen, waarin eveneens wordt uitgegaan van verkoop en levering in 1991.)
partijenis geweest om op 18 november 1993 een perceel grond met een grotere oppervlakte dan 21 m2, vallend buiten de grenzen van perceel [sectienummer 2] zoals aangeduid op de tekening, in eigendom over te dragen, te weten de strook waarvan de Gemeente in deze procedure ontruiming vordert.
‘een instantie’het perceel had uitgezet door middel van piketpaaltjes en dat deze paaltjes waren aangebracht op de voor iedereen aangemerkte grens, te weten op het punt waar de geluidswal begint.
bezitvan de strook komen [geïntimeerde] ’ stellingen erop neer dat hij de strook, evenals de grond tussen de strook en de oorspronkelijke achtertuin, enige tijd zonder recht heeft gebruikt en dat hij al deze grond vervolgens, sinds 1985-1986, heeft gehuurd van de Gemeente. Vanaf dit moment heeft [geïntimeerde] ook volgens zijn eigen stellingen de strook dus gehouden voor de Gemeente. Partijen zijn het erover eens dat aan de huurovereenkomst een einde is gekomen op het moment van de levering van perceel [sectienummer 2] , in november 1993. Daarmee is ook een einde gekomen aan [geïntimeerde] ’ houderschap van de strook. Dat hij sinds november 1993 bezitter is van de strook heeft [geïntimeerde] deugdelijk onderbouwd, door erop te wijzen dat hij de uit de periode van huur en verhuur daterende schuttingen en hagen en een afsluitbare poort heeft gehandhaafd (zie r.o. 6.6.3.), waardoor hij na het einde van zijn huurderschap het exclusieve gebruik van de strook heeft voortgezet, terwijl hij zich vanaf dat moment, gelet op de situatie ter plaatse én de bepaling in de akte van levering inzake het feitelijk gebruik dat voortaan als eigenaar kon worden voortgezet, als eigenaar heeft beschouwd.
‘de aanwijzing is gedaan door een ambtenaar van voornoemde gemeente aan de toekomstige eigenaren’en dat verderop in het metingsverslag van 12 juni 1991 onder het kopje
‘Aanwijs [aanwijsdatum] ’onder meer
‘Dhr. [geïntimeerde] ’wordt genoemd. [geïntimeerde] heeft daar echter tegenover gesteld dat hij niet bij de aanwijzing aanwezig is geweest en dat hij het zich in 1991 financieel ook niet kon veroorloven om daar een dag voor thuis te blijven. In hoger beroep (mva onder 19 en 33) heeft [geïntimeerde] aanvullend gesteld dat de Gemeente geen uitnodiging voor de (gestelde) aanwijzing in het geding heeft gebracht en dat het onvoorstelbaar is dat alle in het metingsverslag genoemde bewoners op de doordeweekse dag dat de aanwijzing zou hebben plaatsgevonden ‘toevalligerwijs’ aanwezig waren.
onafgebrokenbezit van de strook
gedurende tien jaren. Tussen partijen staat namelijk vast dat de eerste sommatie tot ontruiming van de strook zijdens de Gemeente dateert van juni 2009, terwijl is gesteld noch gebleken dat in de tussentijd verandering is gekomen in [geïntimeerde] ’ bezit van de strook.
te goeder trouwwas. Het hof stelt in verband hiermee voorop dat, in gevolge het bepaalde in artikel 3:118 lid 2 BW Pro, de aanwezigheid van deze goede trouw wordt verondersteld en dat het aan de Gemeente is om het tegendeel te bewijzen (anders dan de Gemeente lijkt te veronderstellen brengt het bepaalde in artikel 3:119 lid 2 BW Pro hierin geen verandering). Van de Gemeente mag daarom worden verwacht dat zij haar stelling dat geen sprake is van goede trouw zowel feitelijk als juridisch deugdelijk onderbouwt.
moetenzijn, heeft de Gemeente niet aangevoerd. Het hof wijst er in dit verband op dat tussen partijen op zichzelf vaststaat dat het in 1993 hun beider bedoeling was om aan [geïntimeerde] te leveren hetgeen tot op dat moment aan hem werd verhuurd en dat de verkoop/levering daarom in het feitelijke gebruik geen verandering zou brengen. Het is deze bedoeling waarop [geïntimeerde] ’ stelling dat hij heeft gekocht wat door hem feitelijk in gebruik was en dat de levering in 1991 (lees: 1993) plaatsvond met het doel om het verschil tussen de kadastrale gegevens en de werkelijkheid op te heffen (zie [geïntimeerde] ’ verklaring, overgelegd als onderdeel van productie 1 bij de cva), kennelijk betrekking heeft. Anders dan de Gemeente bij herhaling heeft gesteld, kan het hof hierin niet lezen dat [geïntimeerde] erkent dat hij tot het moment van de levering van perceel [sectienummer 2] alleen dat perceel als huurder in gebruik had.
24 mei 2016voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;