ECLI:NL:GHSHE:2016:1859

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 mei 2016
Publicatiedatum
10 mei 2016
Zaaknummer
200.185.605_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BWArt. 3:300 BWArt. 351 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoger beroep en incident in kort geding over nakoming vaststellingsovereenkomst en ontruiming woning

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in een kort geding waarin appellant is veroordeeld tot nakoming van een vaststellingsovereenkomst en tot ontruiming van een woning. Tevens is een dwangsom opgelegd voor het niet voldoen aan deze verplichtingen.

Appellant heeft in hoger beroep een incident ex art. 351 Rv Pro ingesteld met het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Geïntimeerde heeft verklaard niet tot tenuitvoerlegging over te gaan totdat het hoger beroep is beslist, waardoor appellant geen belang meer heeft bij zijn vordering in het incident.

Het hof wijst het incident af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord in incidenteel appel, waarna verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor verdere behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.185.605/01
arrest van 10 mei 2016
gewezen in het incident ex art. 351 Rv Pro
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. L.E.P. Gremmen te Breda,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. R.A.H. Vullings te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 20 januari 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 24 december 2015, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda in kort geding gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiseres.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/02/306212 KG ZA 15-677)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met bijlagen;
  • de memorie van grieven tevens houdende incidentele vordering ex art. 351 Rv Pro met producties;
  • de antwoordmemorie in het incident van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3.De beoordeling

In het incident
3.1.
Bij het bestreden vonnis in kort geding heeft de voorzieningenrechter [appellant] veroordeeld tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 11 maart 2015 op de wijze als in r.o. 4.1. onder A. tot en met E. van dat vonnis is weergegeven, op verbeurte van een dwangsom van € 500,= voor iedere dag dat [appellant] niet aan één van de onder A. tot en met D. gegeven veroordelingen voldoet, met een maximum van in totaal € 25.000,= aan te verbeuren dwangsommen en heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [appellant] gehouden is om de woning van partijen ten tijde van de levering aan AlleeWonen ontruimd te hebben en te houden, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,= voor iedere dag dat hij hieraan niet voldoet, met een maximum van € 25.000,=. De kantonrechter heeft het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.2.
[appellant] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en heeft een incident ex art. 351 Rv Pro ingesteld. Hij heeft daartoe in essentie aangevoerd dat na belangenafweging de tenuitvoerlegging van het vonnis moet worden geschorst.
3.3.
[geïntimeerde] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
3.4.
Het hof overweegt het volgende.
3.5.
Bij antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] aangegeven dat zij niet zal overgaan tot tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis totdat in hoger beroep is beslist.
[appellant] heeft dan ook geen belang meer bij zijn vordering in dit incident.
3.6.
Dit leidt ertoe dat de vordering moet worden afgewezen.
3.7.
Het hof zal de kosten van het incident aanhouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
3.8.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in incidenteel appel.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering van [appellant] af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 21 juni 2016 voor memorie van antwoord in incidenteel appel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, C.N.M. Antens en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 mei 2016.
griffier rolraadsheer