Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in hoger beroep
- [appellant 2] , tevens verschenen voor [appellante 1] alsmede voor de heer en mevrouw [vennoten van Oude Kerk] ,
- De griffier, in de persoon van de heer [griffier] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak kwam appellant in verzet tegen een bijheffing van griffierecht van €4.662,00 die door de griffier was opgelegd nadat aanvankelijk een lager griffierecht was vastgesteld. De bijheffing volgde nadat bleek dat geen toevoeging was overgelegd, waardoor het hogere tarief van toepassing was.
Appellant stelde dat hij pas geruime tijd na de bijheffing op de hoogte werd gesteld, terwijl hij geen bericht had ontvangen van het hof of het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). Tevens voerde appellant aan dat de heffingsgrondslag onterecht was gewijzigd van natuurlijke naar niet-natuurlijke personen, terwijl een vennootschap onder firma geen rechtspersoon is.
Het hof oordeelde dat de bijheffing op zich terecht was en dat de Griffier terecht het griffierecht voor niet-natuurlijke personen hanteerde, conform eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. Echter, het hof stelde vast dat appellant pas na een lange periode van ongeveer anderhalf jaar op de hoogte kon zijn van de bijheffing vanwege interne systeem- en procedurefouten bij het LDCR.
Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, dat grenzen stelt aan de bevoegdheden van de griffier, mocht appellant ervan uitgaan dat de oorspronkelijke heffing definitief was. Het hof verklaarde daarom het verzet gegrond en vernietigde de bijheffing.
Uitkomst: Het verzet tegen de bijheffing van griffierecht is gegrond verklaard vanwege schending van het rechtszekerheidsbeginsel.