Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende verzocht bij aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2008 om teruggaaf van € 1.037.815, gerelateerd aan betalingstermijnen uit een licentieovereenkomst. De Inspecteur wees dit verzoek af, wat leidde tot bezwaar en beroep bij de Rechtbank Arnhem, die het beroep ongegrond verklaarde. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit oordeel, maar de Hoge Raad vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Het Hof ’s-Hertogenbosch onderzocht of belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de betalingstermijnen niet voldaan zouden worden. Belanghebbende stelde dat de licentieovereenkomst per 1 augustus 2008 was beëindigd en dat zij onvoorwaardelijk afzag van betaling van de termijnen. Het Hof oordeelde echter dat de beëindiging van de overeenkomst door de wederpartij werd betwist en dat de creditfactuur aan voorwaarden was verbonden die niet waren vervuld.
Daarnaast waren de jaarstukken van de betrokken dochteronderneming en moedermaatschappij niet voldoende actueel om de oninbaarheid van de betaling te onderbouwen. Ook was het merkenrecht, dat als onderpand diende, nog in handen van de wederpartij, waardoor het onzeker was of betaling alsnog zou plaatsvinden. Het Hof concludeerde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de betalingstermijnen niet zouden worden voldaan en bevestigde daarom de uitspraak van de Rechtbank Arnhem.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de afwijzing van het verzoek om teruggaaf omzetbelasting omdat niet aannemelijk is gemaakt dat betalingstermijnen niet voldaan zouden worden.