Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/272451/HA ZA 13-928)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
- de memorie van grieven.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep van een administratief medewerkster die door haar werkgever werd aangesproken wegens verduistering van kasgelden over een periode van 2000 tot 2013. De medewerkster had bekennende verklaringen afgelegd tegenover de politie, waarin zij verduisteringen bekende. De werkgever vorderde een schadevergoeding van bijna €70.000, waarvan de rechtbank €61.164,85 toewijst.
In hoger beroep betwistte de medewerkster de bewijskracht van haar politieverklaringen en voerde zij aan dat de werkgever mede schuld had vanwege onvoldoende controlemechanismen en een dubbele boekhouding. Het hof oordeelde dat de verklaringen als bewijsmiddel konden dienen en dat de medewerkster onvoldoende gemotiveerd had betwist dat zij de verduisteringen had gepleegd. Het beroep op eigen schuld van de werkgever werd verworpen omdat het verwijt aan de werkgever minder ernstig was dan aan de medewerkster.
Het hof corrigeerde het toegewezen bedrag naar beneden met €2.197 wegens een te hoog berekend bedrag voor twee posten, waardoor de medewerkster veroordeeld werd tot betaling van €58.967,85 plus wettelijke rente. De overige vorderingen en de proceskosten werden bekrachtigd. Het beroep werd verder afgewezen en de medewerkster werd in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.
Uitkomst: De medewerkster wordt veroordeeld tot betaling van €58.967,85 plus wettelijke rente wegens verduistering, met afwijzing van haar beroep op eigen schuld van de werkgever.