Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2631315/CV EXPL 13-13678)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met één productie en houdende vermeerdering van eis;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de brief van 23 november 2015 met bijlagen van mr. Beusker.
3.De beoordeling
Graag wil ik nu reeds mededelen dat ik de bestaande huurovereenkomst per 1 juli 2005 ongewijzigd wil voortzetten, telkens voor een periode van vijf jaar, met uitzondering van de in artikel 10 genoemde Pro aanbiedingsplicht. In een eventuele nieuwe huurovereenkomst, ingaande per 1 juli 2005, wordt dit artikel geschrapt en worden de volgende artikelen hernummerd.”
Wij blijven van mening dat u niet eenzijdig artikel 10 kunt Pro schrappen. (…) Desalniettemin hebben wij gemeend, na ampele overwegingen, om toch gebruik te maken van het aanbod in uw schrijven van 11 mei jl. Immers naar alle waarschijnlijkheid zouden wij geen gebruik hebben gemaakt van in artikel 10 genoemd Pro voorkeursrecht.”
Artikel 1
verhuurt aan huurder 1(lees: [Optiek 2] )
, gelijk huurder 1 huurt van verhuurder, de navolgende winkelpand:[adres] te [vestigingsplaats 2], kadastraal [sectieletter][sectienummer] , ingaande 1 juli 1995, hierna te noemen het gehuurde.
voor gezien ondertekend en als bijlagen aan onderhavige overeenkomst gehecht.
in de plaats stelling overeenkomst winkelruimtes” voeren. Één van deze stukken is gedateerd op 10 september 2009 en de andere op 25 september 2009. Partijen verschillen van mening over de vraag welk schriftelijk stuk de overeenkomst tussen hen weergeeft. Aangezien in beide stukken de voor de beoordeling van de grieven relevante artikelen 1 en 2, zoals hierboven aangehaald, overeenstemmen, kan in het midden blijven welk schriftelijk stuk de overeenkomst weergeeft.
Deze huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd…”) in verband met de eerste alinea van die bepaling (“
huurder 1 huurt van verhuurder, … winkelpand:[adres] te [vestigingsplaats 2], …
ingaande 1 juli 1995…”) volgt dat partijen in de indeplaatsstellingsovereenkomst in ieder geval op het oog hebben gehad de huurovereenkomst die is neergelegd in de schriftelijke huurovereenkomst die als productie 1 bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht. Voormelde huurovereenkomst gaat namelijk in op 1 juli 1995, zoals vermeld in de eerste alinea van artikel 1 van Pro de indeplaatsstellingsovereenkomst. Uit die huurovereenkomst blijkt dat de huur, die was ingegaan op 1 juli 1995, is aangegaan voor vijf jaar en dat die termijn na het verstrijken daarvan met vijf jaar werd verlengd. Uit die schriftelijke huurovereenkomst blijkt niet van een voortzetting na 1 juli 2005 met telkens vijf jaar.
bijlagen aan onderhavige overeenkomst(toevoeging hof: zijn)
gehecht”.