Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 6 oktober 2015;
- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 12 januari 2016;
- de aantekeningen comparitie van partijen van [geïntimeerde] van 12 januari 2016.
6.De verdere beoordeling
De schadeveroorzakende fout is dat er tijdens het onderhoud, uitgevoerd door [geïntimeerde] op 20 augustus 2012, de staalkabel is vervangen maar niet goed in het geleide profiel is gelegd op het punt tegen en boven de koelunit aan. Hierdoor en door het feit dat het geleideprofiel niet is doorgelegd en ook niet precies tegenover elkaar uitmondt, is de kabel te schuin komen te lopen en kon deze de freonleiding ‘doorzagen’. (…)
naar aanleiding van het rapport van [Expertiseburo] nog eens is nagegaan of [appellante] daadwerkelijk contractspartij was en dat uit onderzoek bleek dat dat niet het geval was”. Beide rapporten van [Expertiseburo] (10/12/12 en 17/5/13) dateren echter van vóór de conclusie van antwoord (28/8/13) en [geïntimeerde] maakt niet duidelijk waaruit het door haar genoemde onderzoek dan zou hebben bestaan.
oude kwekerij van [Champignons]”. Dat is een aanwijzing dat [geïntimeerde] ten tijde van de opdracht voor deze werkzaamheden wist dat het niet meer [Champignons] was die die opdracht gaf. Het feit dat die aantekening door een monteur is gemaakt en dat niet te kennen zou zijn gegeven ‘
dat een andere identiteit zou spelen” zoals [geïntimeerde] heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Nog steeds verklaart dat immers niet waarom op de bon “
oude” kwekerij [Champignons] zou zijn vermeld. Daarbij komt dat, zoals hiervoor ook is overwogen, [geïntimeerde] de uitgevoerde werkzaamheden aan [appellante] heeft gefactureerd. Op zichzelf genomen hoeft dat niet uit te sluiten dat een andere partij de opdracht voor de gefactureerde werkzaamheden heeft gegeven, maar [geïntimeerde] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat dat het geval was en waarom zij dan wel aan [appellante] factureerde.
toepasselijkheidvan algemene voorwaarden (en van een daarin opgenomen exoneratieclausule) zijn overeengekomen moet worden beantwoord volgens de maatstaven die in het algemeen gelden voor het tot stand komen van een overeenkomst, zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 BW (Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3013). Vaststaat dat de overeenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] per telefoon, dus mondeling, tot stand is gekomen en dat [geïntimeerde] daarbij niet heeft verwezen naar haar algemene voorwaarden. Op het na afloop van de werkzaamheden op 20 augustus 2012 door [appellante] ondertekende servicerapport wordt weliswaar naar de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] verwezen, maar de overeenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] was toen al (namelijk ten tijde van de telefonisch gegeven opdracht) gesloten.
haar zorgplicht heeft geschonden door de onjuiste montage niet te herstellen en/of te melden”, maar in haar laatste processtuk in eerste aanleg (antwoordakte d.d. 12 februari 2014) stelt zij onder randnummer 6: “
Het is juist (…) dat de geleideprofielen (…) ook niet recht tegenover elkaar bevonden en dat dit nimmer tot problemen heeft geleid. Eiseres spreekt [geïntimeerde] daarop ook niet aan. Eiseres verwijt [geïntimeerde] dat de nieuw aangelegde kabel op zodanige wijze is geplaatst dat deze (deels) uit de geleiderails is geraakt (…)”. Blijkens rov. 4.6 van het bestreden vonnis is ook de kantonrechter er van uit gegaan dat enkel de gestelde onjuiste montage op 20 augustus 2012 door [appellante] aan haar vordering ten grondslag is gelegd, hetgeen ook voor [appellante] duidelijk is, gelet op hetgeen zij stelt in de randnummers 13 en 14 van haar memorie van grieven.
bij voorkeur eensluidend- de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.