Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 419.464
€ 15.047
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
www.hogeraad.nl.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, aandeelhouder en bestuurder van meerdere vennootschappen, kocht in 2004 het vleesverwerkende bedrijf van [J] B.V. via een koopovereenkomst waarbij een winstrecht en geldlening waren overeengekomen. De koopprijs werd deels contant betaald en deels via lening en winstrecht voldaan. Belanghebbende trad op als gevolmachtigde voor [G] B.V., zonder dit aan [J] B.V. kenbaar te maken, waardoor hij civielrechtelijk aansprakelijk werd gesteld.
In 2009 vorderde [J] B.V. betaling van ruim € 427.000 wegens niet-nakoming van de overeenkomsten. Belanghebbende bracht dit bedrag in aftrek als voorziening in zijn aangifte inkomstenbelasting 2007. De Inspecteur corrigeerde dit en stelde het belastbare inkomen hoger vast. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de claim een voorziening rechtvaardigt, primair op de terbeschikkingstellingsbalans en subsidiair op de winstbalans van de maatschap. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bedrijf [J] tot de maatschap behoorde en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij per saldo een toekomstige uitgave zou moeten doen. Het Hof bevestigde daarom het oordeel van de Rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.